Lezen is dwalen

Het heeft iets weg van een goede grap: Frankrijks belangrijkste literaire prijs, de Prix Goncourt, doorgaans goed voor een verkoop van enkele honderdduizenden exemplaren, is afgelopen maandag toegekend aan een boek dat normaliter misschien niet eens een tweede druk zou halen. Les Ombres errantes (‘Dolende schimmen’ of ‘Dwalende schaduwen’) van Pascal Quignard is geen potentiële bestseller, geen meeslepend verhaal dat je steeds dwingt tot doorlezen. Het is niet eens een roman – en dat zegt veel, in een tijd waarin ‘roman’ en ‘literatuur’ bijna synoniem zijn geworden.

De keuze van de Goncourtjury is des te opmerkelijker omdat diezelfde jury vorig jaar een boek bekroonde dat in alle opzichten het tegendeel was van de huidige winnaar: Rouge Brésil van Jean-Christophe Rufin, een humanistisch-moralistische papa-vertelt-roman die inderdaad alles in zich had om een groot publiek te behagen. Snel vertalen, snel vergeten, schreef ik toen, maar dat viel tegen: hoewel de vertaling direct triomfantelijk werd aangekondigd voor het voorjaar, is Braziliaans rood nog altijd niet verschenen. Als het gekakel rond zo’n prijswinnaar eenmaal is verstomd, kraait er geen haan meer naar: de actualiteit heeft zichzelf weer eens ingehaald.

Nu staat Pascal Quignard dus even in de schijnwerpers. Les Ombres errantes werd met een zeer ruime meerderheid verkozen boven Tigre en papier van Olivier Rolin en Assam van Gérard de Cortanze. Die laatste kreeg voor zijn roman, een dikke pil over de wederwaardigheden van een van zijn voorouders, overigens wel de Prix Renaudot, waarvan de winnaar traditioneel op dezelfde dag als de Goncourt bekend wordt gemaakt. Maar alle aandacht gaat uit naar de gelukkige die de felbegeerde chèque van 10 euro in ontvangst mag nemen, en zodoende kan de kluizenaar Quignard, de man die het in 1994 voor gezien hield en zich terugtrok in een heuse ermitage nabij Sens, zich opmaken voor een roerige novembermaand.

Pascal Quignard is een schrijver van de schaduw. In zijn omvangrijke oeuvre, waarvan tot nu toe alleen de novelle Tous les matins du monde (verfilmd door Alain Corneau) in het Nederlands is vertaald, draait alles om thema’s als afzondering, eenzaamheid, stilte. Tijd,  pijn, dood. Lust, angst, ontzetting. Kortom, schaduw: alles wat zich afspeelt buiten het licht van rede, taal en samenleving. Quignard behoort tot een bij uitstek Franse traditie die het marginale, het verdrongene, het a-sociale laat spreken, in een taal die geen instrument is dat de schrijver naar willekeur kan hanteren, maar een altijd vreemd, altijd vervreemdend medium. ‘Taal is een leugen,’ heet het in Les Ombres errantes, maar ook: ‘We moeten van het gemis houden en niet proberen ons ervan los te maken.’

Les Ombres errantes, het eerste deel van een reeks waarvan het einde nog lang niet in zicht is (er zijn nu drie delen verschenen), heeft veel weg van een antiek Chinees wijsheidsboek à la Zhuangzi. Sententiën, historische anekdotes, persoonlijke herinneringen en filosofische beschouwingen wisselen elkaar in rap tempo af, met als voornaamste ordeningsprincipe de concatenatio: de fragmenten haken in elkaar door middel van een gemeenschappelijk woord, beeld of idee, zonder dat er sprake is van een lineaire uiteenzetting. Die associatieve opbouw geeft de lezer weinig houvast, dat wil zeggen veel vrijheid: dit is geen literatuur die je moet lezen van begin tot einde, want begin en einde zijn overal en nergens. ‘Lezen is dwalen,’ zegt Quignard, de schrijver die zichzelf in de eerste plaats als lezer ziet.

Belezen is hij inderdaad als geen ander. Zelf wil hij liever niet erudiet worden genoemd, want de ont-ruwing (e-ruditus) die dat woord impliceert, staat hem tegen. Op minder belezen stervelingen kunnen de talrijke etymologische herleidingen, Latijnse citaten en geleerde verwijzingen naar al dan niet bekende dichters en denkers uit alle uithoeken van de wereld een pedante, elitaire indruk maken, zoals ook wel bleek uit reacties in een aantal kranten. Maar voor wie bereid is de spelregels te accepteren, inclusief de vraagtekens die de tekt onvermijdelijk oproept, ligt er een opwindende dooltocht in het verschiet. Quignards ideale lezer is een verzamelaar van verrassingen en ontmoetingen – want ook dat betekent het woord lezen: verzamelen.

Lezen doe je in stilte, voor jezelf. Als er één idee is dat Les Ombres errantes in al zijn verscheidenheid en ongrijpbaarheid uitdraagt, is het wel het belang van de stilte als oorsprong van alles wat waarde heeft. Soms neemt die elementaire wijsheid de vorm aan van een wat gemakzuchtige (want schaduwloze) aanklacht tegen het lawaai waarmee de moderne westerse mens zich omringt. Maar vaak ook laat Quignard de stilte voor zichzelf spreken, zoals in de prachtige apoloog waarmee het boek besluit: de heidense Sofiius, voormalig secretaris van de laatste Gallo-Romeinse koning, trekt zich aan het eind van zijn leven terug in een christelijk klooster, waar hij zich in stilzwijgen hult maar tijdens de eredienst in gedachten de avonturen van Orfeus reciteert. Na zijn dood wordt hij beweend door de andere monniken.

Misschien is dat wel de grote paradox van Quignards reuzenproject: als denker is hij op zijn best in de vertellende fragmenten, wanneer het expliciete oordeel uitblijft en de tekst in stilte spreekt. Maar als verteller heeft hij het expliciete denken nodig, al was het maar omdat de stilte zonder geluid niet hoorbaar is. Soms naderen de twee elkaar en lopen in elkaar over; dat zijn gelukkige momenten. En ergens in de schaduw van de bladzijde zie ik dan een man glunderen om wat hij net heeft opgeschreven in zijn prachtige stijl. Mag hij ook eens?

  • Pascal Quignard, Les Ombres errantes (Dernier royaume, I). Grasset, 2002.
  • Pascal Quignard, Sur le jadis (Dernier royaume, II). Grasset, 2002.
  • Pascal Quignard, Abîmes (Dernier royaume, III). Grasset, 2002.
  • Pascal Quignard le solitaire. Rencontre avec Chantal Lapeyre-Desmaison. Les Flohic, 2002.

[de Volkskrant, 1 november 2002, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email