Vrij en blij als een indiaan

Deze recensie had eigenlijk over een ander boek moeten gaan: La Reprise van Alain Robbe-Grillet of Étrangers dans la nuit van Marc Lambron. Maar nee, het heeft de dames en heren van de Académie Goncourt afgelopen maandag behaagd de belangrijkste Franse literaire prijs toe te kennen aan Rouge Brésil van Jean-Christophe Rufin. Bij de zesde stemmingsronde tijdens de traditionele lunch in het Parijse etablissement Drouant kreeg Rufin vijf stemmen, tegen vier voor Lambron en één voor Michel Houellebecq – wiens roman Plateforme allang niet meer tot de selectie behoorde. En daarmee was de winst voor Rouge Brésil een feit.

Net als de winnaar van vorig jaar, Jean-Jacques Schuhl, is Rufin een auteur uit de stal van Gallimard, de grootste Franse uitgeverij. Het gebeurt wel vaker dat de prijs twee jaar achtereen naar hetzelfde ‘huis’ gaat, maar dit keer betekende de keuze een kleine revolutie: een week eerder was de Prix Médicis al naar een Gallimard-auteur gegaan (Benoît Duteurtre, Le Voyage en France), en doorgaans worden de grote prijzen netjes verdeeld onder de grote uitgeverijen; er staan tenslotte grote commerciële belangen op het spel. Mede op grond van die ongeschreven wet gold Grasset-auteur Marc Lambron als de grootste kanshebber, maar voor één keer heeft de Goncourtjury dus haar eigen smaak laten overwegen. Bravo!

Over smaak valt niet te twisten, zegt de burgerman. Mis. Over niets valt zo goed te twisten als over smaak, het bewijs ligt inmiddels met grote stapels in de Franse boekhandels. Rouge Brésil is namelijk weinig meer dan een vaardig geschreven historische avonturenroman die niet zou misstaan in een goede kinderboekenreeks, van Lemniscaat bijvoorbeeld: Triomf van de verschroeide aarde, Oorlogswinter, dat soort boeken. Goed gedocumenteerd, verzorgd geschreven, opvoedkundig verantwoord, redelijk spannend, met een kind (twee, in dit geval) als hoofdpersoon om het identificatieproces te vergemakkelijken: de nieuwe Goncourt heeft alles in zich om jong en oud een paar aangename zondagmiddagen te bezorgen.

Rufin heeft inderdaad goed zijn best gedaan om het de lezer naar de zin te maken. Nooit hoeven we ons in te spannen, want alles voelt zeer vertrouwd, alsof we dit boek al talloze malen hebben gelezen. En in zekere zin is dat ook zo: de manier waarop de schrijver zijn verhaal vertelt, wijkt geen moment af van de geijkte patronen waaraan de ontspanningslectuur haar geruststellende zekerheden ontleent. Wordt er een nieuw personage geïntroduceerd, dan vertelt Rufin snel even diens levensgeschiedenis (want anders weten we niet met wie we te maken hebben). Valt er een flinke bui, dan wordt die vergeleken met de spetters van een hond die zich uitschudt (want dat is mooi). En natuurlijk schakelen we ook steeds over van het ene personage naar het andere, van de ene plek naar de andere (overal staan verborgen camera’s).

Toegegeven, het verhaal zelf is behoorlijk spectaculair. Op grond van tal van historische en historiografische bronnen beschrijft Rufin de expeditie die admiraal Villegagnon halverwege de 16de eeuw maakte om een Franse kolonie in Brazilië te stichten. Om met de plaatselijke indianen te kunnen communiceren nam Villegagnon een aantal kinderen mee, die immers snel een nieuwe taal kunnen leren, en twee daarvan zijn de helden van het verhaal: de broer en zus Just en Colombe, die aan het eind van de roman geen broer en zus blijken te zijn en als een eiland van liefde overblijven te midden van een wereld vol haat, met als enige steun de weliswaar mensenetende maar daarom nog niet minder edele wilden.

Voor het zover is, krijgen we tal van verwikkelingen te verstouwen. Het eiland waar Villegagnon de kolonie ‘Antarctisch Frankrijk’ sticht (nog altijd Ilha de Villegagnon geheten) wordt algauw het toneel van felle godsdiensttwisten, een ‘generale repetitie’ voor de godsdienstoorlogen die tien jaar later in Europa zouden uitbarsten. Door omstandig te laten zien hoe absurd en star de theologische discussies zijn, breekt Rufin een lans voor tolerantie, en de moraal van het verhaal komt dan ook niet onverwacht: in plaats van dogmatisch en met veel geweld een utopie na te jagen, kunnen we beter een voorbeeld nemen aan de indianen met hun bescheiden, harmonieuze, natuurlijke leefwijze.

Waarom werkt die moraal op de lachspieren, hoe goed Rufins bedoelingen ook zijn? Niet eens zozeer omdat het zelf ook weer een utopie is, maar vooral omdat de auteur de eeuwenoude gemeenplaats van de edele wilde nieuw leven inblaast zonder daarbij ook maar een greintje zelfspot aan den dag te leggen. In een kinderboek kun je dat ongestraft doen, maar in de kunst gelden andere wetten. Niemand kan anno 2001 nog een romantische symfonie componeren alsof Strawinsky en Schoenberg nooit hebben bestaan, althans niet zonder zich onsterfelijk belachelijk te maken, en hetzelfde geldt voor de literatuur: wie na alle modernistische en postmodernistische geweldenaars van de vorige eeuw nog aan komt zetten met een roman à la Zola, verdient het niet om serieus te worden genomen.

Toch zal de kersverse Goncourtwinnaar met Rouge Brésil ongetwijfeld de weg naar de lezers wel weten te vinden. Ik durf zelfs te wedden dat deze recensie minstens drie Nederlandse uitgevers zal sterken in hun mening dat Rufins geesteskind zo snel mogelijk ook in ons land op de markt moet worden gebracht. Vóór de kerst, dat moet nog makkelijk kunnen. Het geeft niet als de vertaling inferieur is, als het boek maar verkoopt. En laten we vooral niet vergeten dat we het over een Goncourtwinnaar hebben, heel Frankrijk heeft er de mond van vol, het Nederlandse publiek heeft er recht op!

Het Nederlandse publiek had ook recht op Ingrid Caven, de prachtige roman waarmee Jean-Jacques Schuhl vorig jaar de prijs won. In Duitsland is het boek inmiddels vertaald, in Nederland zal dat waarschijnlijk niet gebeuren: te moeilijk, geen markt voor. Maar dat is in elk geval nog minder erg dan wat de grandioze winnaar van het jaar daarvoor, Je m’en vais van Jean Echenoz, overkwam: dat boek werd door een veel te snelle vertaling domweg verprutst.

Rufin? Snel vertalen, snel vergeten.

  • Jean-Christophe Rufin, Rouge Brésil. Gallimard, 2001.

[de Volkskrant, 9 november 2001, © Martin de Haan]