Verhakkeld stormhout

Treurnissen.omslag‘Leve de durvers!’, wordt ons dezer dagen toeroepen door de reclameaffiches van een bankinstelling. Ter illustratie van die leus zien we een foto van respectievelijk een jongetje dat in een boom klimt en een meisje dat van een trap glijdt. De suggestie dat ‘durven’ eigen is aan de jeugd, dat jongeren van nature wild, overmoedig en vernieuwingsgezind zijn, legt onze marketeers geen windeieren, maar is zij waar? Jongeren zijn vaak behoudzuchtig en conformistisch, dat is een van de ontnuchterende, zo niet onthutsende bevindingen van het ouderschap. Tegen de voorkeuren en opvattingen die binnen de peergroup opgeld doen, moeten die van ouders het vrijwel altijd afleggen. En dat contrast tussen generaties wordt op de spits gedreven wanneer die ouders durf, anticonformisme en vernieuwingsgezindheid hoog in het vaandel hebben staan. Dat soort waarden omhelzen mensen doorgaans pas ná hun tienerjaren, zo ooit.

Er bestaat met andere woorden een potentieel verschil tussen biologische jeugd en sociale jeugd, tussen jeugd als gegeven en jeugd als gedrag. Eigenschappen en gedragingen die algemeen worden geassocieerd met de idee van jeugdigheid, hoeven in werkelijkheid helemaal niet bij jongeren tot uiting te komen, terwijl een ‘jeugdige’ geest niet zelden te vinden is bij wie intussen oud en aftands is geworden.

Deze opmerkingen ter inleiding van een paradox waarop je stuit als je je verdiept in het jeugdwerk van een dichter – jeugdwerk is oud werk. Niet alleen om de eenvoudige reden dat iemands vroege literaire productie per definitie plaatsvindt in een vroeger stadium van de literaire geschiedenis en dus in retrospectief al snel gedateerd oogt, maar ook om de even eenvoudige reden dat dichters en schrijvers niet met een eigen literaire stem worden geboren; ze vertrekken noodgedwongen vanuit de traditie, de breuk met de erfenis van de ouderen vindt pas later plaats. Zelfs als ze, zoals Arthur Rimbaud, de geschiedenis in gaan als wonderkinderen, beginnen ze hun carrière als overijverige scholieren. Maar de meesten vergaat het zoals Marcel Proust: als ze jong zijn kiezen ze nog niet radicaal voor het schrijven en van de weeromstuit is hun schrijven nog niet radicaal.

Een goed voorbeeld van wat je die ‘retrospectieve veroudering’ zou kunnen noemen, is Prousts debuut, Les Plaisirs et les jours. Die bundel uit 1896, Proust was toen vijfentwintig, bestaat uit een losse reeks eerder in diverse tijdschriftjes verschenen mondaine zedenschetsen, portretten, gedichten en prozastukken, oftewel petits essais, ‘kleine probeersels’, zoals Proust het in zijn voorwoord noemt. Met Les Plaisirs et les jours maakte hij een nogal besmuikte, ambigue entree in de letteren. Opgeluisterd met illustraties van aquarellist Madeleine Lemaire en pianopartituren van componist Reynaldo Hahn verscheen de bundel als luxe uitgave, in een kleine oplage bedoeld voor een mondain publiek, maar hij haalde nooit de boekhandels, werd bij leven van Proust niet herdrukt en zelfs niet opgenomen in zijn bibliografie toen hij vijftien jaar later op zoek was naar een uitgever voor À la recherche du temps perdu. De vermaarde romancier Anatole France voegde een voorwoord toe waarin hij rept van ‘de elegante smarten, het kunstmatig leed’ en de ‘vreemde, morbide schoonheid’ van Prousts proza, maar toch ook wat meewarigheid laat doorklinken in zijn aanbeveling van de eerste pennenvruchten van zijn jeune ami.

In de jaren tachtig verscheen een eerste selectie van verhalen en gedichten uit Les Plaisirs et les jours, in de vertaling van Ernst van Altena. Interessanter is echter de nu bij Poëziecentrum gepubliceerde selectie, de eerste vertaling in ons taalgebied van een reeks van dertig prozagedichten, getiteld ‘Les Regrets. Rêveries couleur du temps’. De vertaling, van de hand van Paul Claes en Chris van de Poel, kreeg als titel mee Treurnissen. Mijmeringen onder wisselende hemel. Proust geeft in deze prozagedichten, variërend in lengte van een alinea tot enkele pagina’s, de maat van zijn jeugdige talent – het zijn bravourestukjes, vingeroefeningen voor het echte werk. Een grote vernieuwingsdrift blijkt er nog niet uit, zo signaleren ook de vertalers in hun beknopte maar informatieve nawoord: met zijn ‘rêverieën’, waarin natuurbeschouwing en gevoelservaring hand in hand gaan, treedt Proust in het voetspoor van andere literaire mijmeraars als Jean-Jacques Rousseau en Senancour, en ook het genre van het prozagedicht had sinds Charles Baudelaires Petits poèmes en prose al een zekere faam.

Een van de mooiere prozagedichten,‘Werkelijke tegenwoordigheid’, is tekenend voor de kracht en zwakte van de bundel. Het van oorsprong katholieke begrip ‘werkelijke tegenwoordigheid’ duidt op magie, op de wonderbaarlijke aanwezigheid van Jezus in de gedaanten van wijn en brood. Magisch in deze tekst is de manier waarop het landschap voor de beschouwer een projectiescherm van amoureuze gevoelens wordt – het ‘sentimentele landschap’ is een typisch Proustiaans motief. Ook andere motieven wijzen vooruit naar de Recherche, zoals de geslachtelijke ambiguïteit van de geliefde en de weemoedige fascinatie voor plaatsnamen.

Een ik-verteller beschrijft hoe hij samen met een niet nader bepaalde ‘jij’ een wandeling maakt langs het meer van Sils-Maria, een dorp met een ‘dubbel lieflijke naam’ in het Zwitserse Ober-Engadin. Een zwerm roze vlinders vliegt op van de oever aan de ene kant van het meer als een ‘wolk van allerfijnst rozenpoeder’ en strijkt neer op de bloemen aan de overkant. Vervolgens pendelen de vlinders nog enige tijd tussen beide oevers heen en weer. ‘Het werd ons te veel en onze ogen schoten vol tranen’, noteert Proust. Even later beschrijft hij de vlinderzwerm als een ‘wellustige strijkstok’ op de strakgespannen snaar van de ziel, die de beide wandelaars ‘bitter [deed] wenen’.

Later in de tekst, tijdens een wandeling naar Alp Grüm, vindt nog zo’n magisch moment plaats, als het barre landschap opeens ophoudt en er zich voor de twee wandelaars in de ‘droomachtige diepte’ een ‘volblauwe vallei’ ontvouwt: Italië! Maar dan is de ‘jij’al niet meer in ‘stoffelijke gedaante’ aanwezig en alleen nog een fantoom, een schim van het verlangen:

[…] waarna je met mij de berg op zou lopen om al mijn droefheid goed te maken. Zonder een woord van uitleg had je alles begrepen […] en ik van mijn kant zou me helemaal verliezen tussen je lippen, die nog licht geurden naar je oosterse sigaretten. Luidkeels zouden we dwaze dingen roepen voor het pure genot het te kunnen uitschreeuwen zonder dat iemand in de wijde omstrek ons kon horen; alleen het lage gras zou door een zuchtje wind op die hoogte huiveren.

Uiteindelijk leidt het onbeantwoord gebleven fantasma tot verzadiging. Wat rest is de poëzie van plaatsnamen:

Het enige wat me nog bekoort als ik jou zie, is dat ik me opeens weer die namen herinner met hun vreemde, Duits-Italiaanse lieflijkheid: Sils-Maria, Silvaplana, Crestalta, Samaden, Celerina, Julier, Val Viola.

Fascinerend is om te zien hoe de jonge Proust hier thema’s en motieven aankondigt die pas twintig jaar later tot volle wasdom komen in zijn oeuvre. Ook de evocatieve kracht van zijn stijl is bij momenten al groot. Maar hoe boeiend ook vanuit literair-historisch oogpunt, als autonome prozapoëzie blijft Treurnissen onevenwichtig, typisch het werk van een debutant. Uit de tekstjes blijkt hoeveel moeite het de jonge Proust soms kost om de dichterlijke clichés van zijn tijd af te schudden. Menigmaal bezondigt hij zich aan een pathos dat dicht aanleunt tegen kitsch. In het leeuwendeel van zijn mijmeringen worden tranen geplengd en bezingt hij de weemoed, de ‘droeve, dichterlijke roes’ waaraan hij zijn korte tableaus ontleent. Ook is in Treurnissen soms enige preciositeit hoorbaar, een hang naar ronkende en pronkende woorden die door de latere Proust zal worden overwonnen of op zijn minst door ironie gecompenseerd. In ‘Efemeer effect van verdriet’ wordt bijvoorbeeld het profijt dat we uit treurspelen kunnen halen zo beschreven:

Maar door de afstand die in het leven de smart en in het theater het invoelen van smartelijke schoonheid schept, openbaart het lot van anderen en van onszelf onze aandachtige ziel eindelijk het eeuwige, maar nooit gehoorde woord van plicht en waarheid. Een treurspel van een waar kunstenaar spreekt ons toe in de taal van mensen die hebben geleden en noopt zo iedereen die zelf heeft geleden, ertoe alles even terzijde te schuiven en te luisteren.

Tegelijk stuiten we in ditzelfde stuk op een prachtige metafoor over de dank die we verschuldigd zijn aan wie ons verdriet hebben gedaan, ‘valse of gewoon onverschillige vrouwen’ en ‘wrede vrienden’: zij hebben ‘ons hart verwoest en vol verhakkeld stormhout achtergelaten’. Jonché de débris méconnaissables, staat er in het Frans – ‘vol verhakkeld stormhout’ is een sprekend voorbeeld van de lexicale rijkdom van de vertaling, die de volle breedte van het Nederlands benut. Prousts stijl is in dit jeugdwerk al bijzonder gebald en complex, en heeft in Claes en Van de Poel vindingrijke vertolkers gevonden, die er niet voor terugdeinzen zijn soms lange zinnen drastisch naar hun hand te zetten. Lees bijvoorbeeld hoe een pauw op een hoenderhof in deze vertaling een majestueuze verschijning wordt:

Zo stapt op een feestdag, vlak voor de eerste gasten aankomen, de vrouw des huizes in haar japon met weerschijnende sleep, een hemelsblauwe halskraag al om haar koninklijke hals en aigrettes op haar hoofd, onder de verrukte blikken van de voor het hek verzamelde kijklustigen fonkelend over het voorplein om een laatste order te geven of om een prins van den bloede aan de poort op te wachten.

Niet alleen de lange zinnen die Proust hier af en toe al beproeft, ook de aan zijn stijl eigen aforistische beknoptheid is aan de vertalers besteed. Een van mijn favorieten in de reeks is ‘Zeilen in de haven’, over schepen die als ‘voorname gasten’ de nieuwsgierigheid van voorbijgangers opwekken – een ongemeen suggestief en effectvol prozagedicht, vol dynamiserende tegenstellingen, dat qua poëtische intensiteit niet onderdoet voor het sterkste werk van Baudelaire of Rimbaud (‘Rank en stevig lagen ze in weemoedige trots gekeerd naar de oceaan waarop ze al even machtig als nietig waren.’). En wat die beknoptheid betreft: de vertaling van Claes en Van de Poel bedraagt 255 woorden, amper twintig meer dan het origineel. In 2001 werd dezelfde tekst gebruikt voor een door de Standaard der Letteren georganiseerde vertaalwedstrijd – de inzending die destijds won telde 305 woorden…

Opmerkelijk is dat de vertalers een lichte accentuering van de soms gedragen toon van de originele teksten niet schuwen – horizon wordt vertaald als ‘kim’ en barque als ‘bark’, tout à l’heure wordt ‘daareven’ en bientôt is steevast ‘weldra’. Maar die ietwat gedateerd aandoende toonzetting is niet in strijd met de negentiende-eeuwse preciositeit van het origineel, integendeel zelfs. Ze maakt des te scherper voelbaar welke afstand Proust zal afleggen in de twintig jaar die liggen tussen de symbolistisch-impressionistische vingeroefeningen van Les Plaisirs et les jours en het modernistische meesterwerk van La Recherche. Jeugdwerk is oud werk: de echte overmoed komt pas later.

  • Marcel Proust, Treurnissen. Mijmeringen onder wisselende hemel, vertaling Paul Claes en Chris van de Poel, Poëziecentrum, Gent, 2014
  • [De Reactor, 2014, © Rokus Hofstede.]

    Print Friendly, PDF & Email