Nobelprijs voor Patrick Modiano: een machtig fluisteraar bekroond

Niet Huraki Murakami, niet Ngũgĩ wa Thiong’o, niet Philip Roth of Milan Kundera. Met zijn verrassende keuze voor de Franse schrijver Patrick Modiano (1945) heeft het Nobelprijscomité gisteren opnieuw de grote favorieten voor ’s werelds grootste literatuurprijs gepasseerd – waarbij moet worden aangetekend dat de favorieten bijna nooit winnen en dat Modiano wel degelijk in sommige top-tiens van kanshebbers stond.

Modiano is in het ruim honderdjarige bestaan van de Nobelprijs al de vijftiende Fransman aan wie de hoogste literaire eer ten deel valt: gemiddeld is er elke zes jaar een Franse winnaar, dus wat dat betreft kon deze toekenning na die van J.M.G. Le Clézio in 2008 geen verrassing zijn. Opmerkelijk is wel dat Modiano in eigen land net als Le Clézio nooit als kandidaat voor de prijs zou zijn gezien, maar andere kandidaten (behalve de import-Fransman Kundera) had het land ook niet. Van de enige echte Franse sterschrijver, Michel Houellebecq, kan moeilijk worden gezegd dat hij werk met een ‘idealistische strekking’ schrijft, zoals de doelstelling van de prijs vereist, ook al wordt die eis tegenwoordig veel minder strikt gehanteerd.

In Nederland is het werk van Modiano bijzonder goed vertegenwoordigd dankzij vertalingen van met name Edu Borger en Maarten Elzinga. De teller staat inmiddels op twintig vertalingen, waarmee Modiano bij ons ongetwijfeld de meest vertaalde Franse auteur na Simenon is. Grote oplagen heeft hij nooit bereikt, meestal blijft het bij een eerste druk en al twee keer zag een uitgever zich gedwongen om het bijltje erbij neer te leggen – maar besloot een andere uitgever het toch weer te proberen. Modiano’s huidige uitgeverij, Querido, deed dat zelfs door Een stamboek te laten vertalen door een bekende schrijver, Bernlef, maar helaas pakte die vertaling niet gelukkig uit.

Alle romans van Modiano zijn even dun als onnadrukkelijk. Van hem geen grootse familiesaga’s, geen spannende pageturners die je op strandvakantie mee naar Thailand neemt. Eigenlijk schrijft hij steeds hetzelfde boek, of steeds een nieuw hoofdstuk van één groot boek waar nooit een einde aan komt. Alleen zijn eerste boek, De plaats van de ster uit 1968, staat los van die lange reeks: het is bedoeld als een Joodse tegenhanger van het werk van Louis-Ferdinand Céline en laat zien dat Modiano wel degelijk tot groots verbaal vuurwerk in staat is. Maar vanaf zijn tweede roman, het niet vertaalde La Ronde de nuit, vond hij zijn eigen toon, die hij nooit meer heeft losgelaten.

Een typische Modiano-roman is opgebouwd in drie lagen: heden, verleden, verder verleden. Een hoofdpersoon van wie we niet heel veel te weten komen, meestal een vrij marginale figuur die lange wandelingen door Parijs maakt en in schimmige cafés komt, wordt door een vluchtige ontmoeting of een onbetekenend voorval herinnerd aan een moment in het verleden dat een keerpunt in zijn of haar leven heeft gevormd doordat het de ramen van de herinnering openzette naar zijn of haar jeugd – iets wat nu dus opnieuw gebeurt. Modiano is op zijn best wanneer hij, zoals in Uit verre vergetelheid of Kleine Bijou, door middel van kleine details een nevelige sfeer oproept waarin de hoofdpersoon zich haast zwevend voortbeweegt, op zoek naar vastheid en betekenis.

Sommige personages komen in een latere roman nog eens terug, al dan niet onder dezelfde naam, maar altijd met dezelfde vage contouren. Je hoeft niet veel boeken van Modiano te hebben gelezen om te beseffen dat zijn personages zijn persoonlijke spoken zijn, verschijningen die door zijn angstige verbeelding blijven ronddolen tot hij ze van zich af heeft geschreven. Niets staat verder van hem af dan de opvatting van de romanschrijver als demiurg: Modiano verwerkt wat op hem afkomt, uit het verleden met name; hij zou zich niets kunnen voorstellen bij een denkbeeldige wereld van papier waarin de personages als ledenpoppen zouden gehoorzamen aan zijn wil.

Patrick Modiano is een schrijver die de publiciteit schuwt. De belangrijkste Franse literatuurprijs, de Prix Goncourt, kreeg hij al veel eerder voor De straat van de donkere winkels (1978), helaas pas na het overlijden van zijn grote beschermer Raymond Queneau. Het valt te hopen dat hij ook na het hele mediacircus rond de Nobelprijs gewoon kan blijven leven en schrijven zoals hij dat altijd heeft gedaan: in de schaduw, om van daaruit met enige regelmaat zijn bescheiden licht de wereld in te schijnen.

Zijn nieuwe, net verschenen roman Pour que tu ne te perdes pas dans le quartier (‘Zodat je niet verdwaalt in de wijk’) opent met een veelbetekenend citaat uit Stendhals Leven van Henry Brulard: ‘De werkelijkheid van de feiten kan ik niet geven, ik kan er alleen de schaduw van bieden.’ Maar dat alleen al is een groot goed. Patrick Modiano is een machtig fluisteraar.

[de Volkskrant, 10 oktober 2014]

Print Friendly, PDF & Email