Georges Simenon, De blauwe kamer (fragment)

DBK.omslag‘Heb ik je pijn gedaan?’
‘Nee.’
‘Ben je boos op me?’
‘Nee.’
Het was waar. Op dat moment was alles waar, want hij beleefde de scène in het rauwe hier en nu, zonder zich iets af te vragen, zonder te proberen iets te begrijpen, zonder te vermoeden dat er ooit iets te begrijpen zou zijn. Niet alleen was alles waar, alles was ook echt: hij, de kamer, Andrée die languit bleef liggen op het overhoopgehaalde bed, naakt, haar benen wijd, met de donkere vlek van het geslacht waaruit een sliertje sperma liep.
Was hij gelukkig? Had iemand het hem gevraagd, dan zou hij zonder aarzelen ja hebben gezegd.
Het kwam niet bij hem op het Andrée kwalijk te nemen dat ze hem in zijn lip had gebeten. Dat hoorde erbij, net als de rest, en staand voor de wastafelspiegel, ook hij naakt, depte hij zijn lip met een in koud water gedrenkte handdoek.
‘Gaat je vrouw vragen stellen?’
‘Ik denk het niet.’
‘Vraagt ze weleens iets?’
De woorden deden er nauwelijks toe. Ze praatten zomaar wat, zoals je praat na het vrijen, met je lichaam nog nagloeiend en je hoofd een beetje leeg.
‘Je hebt een mooie rug.’
Een paar roze vlekjes bespikkelden de handdoek en op straat rammelde een lege vrachtwagen over de kasseien. Mensen waren aan het praten, op het terras. Het enige wat je opving waren losse woorden, die geen zinnen vormden en niets betekenden.
‘Hou je van me, Tony?’
‘Ik denk het wel…’
Hij grapte, maar zonder te glimlachen, vanwege zijn onderlip, die hij nog steeds met de natte doek aan het betten was.
‘Weet je het niet zeker?’
Hij draaide zich om, zodat hij naar haar kon kijken, en vond het fijn om te zien dat dat zaad, zijn zaad, zo innig was opgenomen in het lijf van zijn bedgenote.
De kamer was blauw, blauwselblauw, had hij eens gedacht, een blauw dat hem aan zijn kindertijd deed denken, aan de grofgeweven zakjes met blauw poeder die zijn moeder in de tobbe oploste voordat ze het wasgoed een laatste keer uitspoelde, waarna ze het ging uitspreiden op het blinkende gras van het bleekveld. Hij moest een jaar of zes zijn en hij vroeg zich af welk wonder ervoor zorgde dat iets blauws het wasgoed wit kon maken.
Later, lang na de dood van zijn moeder, toen haar gezicht al vervaagde in zijn geheugen, had hij zich ook afgevraagd waarom mensen die zo arm waren als zij, die rondliepen in verstelde kleren, zo veel belang hechtten aan wit wasgoed.
Dacht hij daar op dat moment aan? Het zou pas later tot zijn bewustzijn doordringen. Het blauw van de kamer was niet alleen het blauw van blauwsel, maar ook het blauw van de hemel op sommige warme middagen in augustus, even voordat de dalende zon de lucht roze kleurt, dan rood.
Het was augustus, 2 augustus. De middag was al gevorderd. Om vijf uur begonnen goudgele wolken, luchtig als slagroom, op te komen boven het station, waarvan de witte gevel in de schaduw bleef.
‘Zou je je hele leven met mij samen kunnen zijn?’

[Fragment uit Georges Simenon, De blauwe kamer (oorspr. La Chambre bleue), vertaling Rokus Hofstede, De Bezige Bij Antwerpen 2014]

  • ‘Een ragfijn ontwikkelde en psychologisch volstrekt geloofwaardige geschiedenis. Pijnlijk tot op het bot, prachtig geschreven.’ – Atte Jongstra in NRC
  • ‘Subliem… Een weergaloos spannende film noir.’ Thomas Verbogt in Het Parool
  • ‘Wat een goed geschreven boek. Zinderend, erotisch plattelandsdrama.’ Mieke van der Weij in NCRV-gids
  • La chambre bleue (1964) is trouwens een schitterende policier over passie, moord en onderzoek, en balanceert in de tijd op een mix van herinneringen en verhoren. En: de vertaling van Rokus Hofstede doet de brontekst compleet vergeten.’ – Patrick Lateur op facebook
  • ‘Zijn stijl is bedriegelijk soepel, maar heeft toch iets literairs. […] Thrillerauteurs van nu kunnen nog wat leren van deze Simenon.’ – Sarah Verhasselt op Cutting Edge
  • ‘De schrijfstijl is wonderschoon.’ – Alex Hoogendoorn op thrillerlezers

 

Print Friendly, PDF & Email