Caroline Lamarche, De dag van de hond (fragment)

Om haar wat te verstrooien vertelde ik haar de legende van de heilige Rochus, die vroeger werd aangeroepen ter bescherming tegen de pest. Op weg naar Rome had die veertiende-eeuwse pelgrim op wonderbaarlijke wijze pestlijders genezen, totdat hij zelf besmet was geraakt en zich had teruggetrokken in een bos, waar een engel over zijn genezing waakte en een hond hem elke dag brood kwam brengen. Later, nadat hij zijn reis had hervat, werd hij opgepakt als spion en stierf in de gevangenis. De jonge vrouw leek diep getroffen door het ellendige einde van die uitverkorene van God. Ze wilde de kerk bezichtigen die aan hem was gewijd. Ze vertelde me dat ze weleens geprobeerd had naar binnen te gaan maar dat de deur steeds op slot was geweest. Daaruit leidde ik af dat ze niet naar de mis ging, het enige moment van de week waarop de kerk voor iedereen open is. Ik haalde de sleutels uit mijn zak. Ik legde haar uit dat de kerk, die zoals ze kon constateren gebouwd was in Romaanse stijl, enkele kunstschatten bevatte, waaronder een polychroom houten beeld van de heilige Rochus en zijn hond, van eenvoudige makelij maar van even eerbiedwaardige leeftijd als het stucwerk dat met barokke krullen het altaar sierde. Die latere toevoegingen aan het gebouw waren dankzij mijn waakzaamheid ontsnapt aan de ontmanteling die zo in zwang is. Onder voorwendsel van herstel van de primitieve zuiverheid zijn de meeste kerken in de omgeving namelijk ontdaan van die achttiende-eeuwse eeuwse ornamenten, die nu staan te vergaan in torens en sacristieën, als ze tenminste niet zijn gestolen door onbehouwen restauratie-architecten die er hun salon of trappenhuis mee tooien.

Toen de zware deur met zijn door mij zorgvuldig geoliede hengsels zich sloot was het koud. De vrouw liep naar voren alsof ze alleen was. Ik maakte mijn kniebuiging achter haar, ze onttrok het altaar aan mijn blik. Zij boog niet, keurde het heilige geen teken waardig. Daarna draaide ze langzaam om haar as, met wijd open ogen, het gebouw monsterend tot in de kleinste details, ingespannen alles in zich opnemend. Al naargelang ze zich wendde naar de glas-in-loodramen of naar de zwartblauw betegelde vloer, veranderden schaduw en licht de uitdrukking op Sophies gezicht. Over mij keek ze heen, of misschien was ik voor haar gewoon een deel van het decor, het meest anachronistische, met mijn lekenkleding, mijn kortgeknipte haar en het onverstoorbare masker dat bij mij voor gezicht doorgaat. Ja, tegenover de lichte of donkere zones die het lichaam van die vrouw boetseerden, voelde ik me ineens heel plat, een stenen tegel, een houten kamerscherm. Het standbeeld van de heilige Rochus daarentegen leek plotseling te stralen van kinderlijke vreugde, waarbij hij niet aflatend met zijn ene hand wees op zijn door de pest aangevreten knie en met zijn andere zijn pelgrimsstaf omklemde, terwijl aan zijn voeten de van Godswege gezonden hond begon te glimlachen, de bete broods in zijn bek. De hond… Ik zelf was dat naïeve, goedige schepsel, dat kwispelde bij de gedachte zijn naaste te kunnen redden, ik bracht anderen voedzame woorden, met fijne kruim en goudbruine korst, en andermaal had ik me tegenover deze vrouw niet aan mijn plicht onttrokken.

Maar vandaag raast de hond met brandende spieren en gierende adem langs een kale weg, in een apocalyptisch geraas. ‘Eli, Eli, lema sabachtani…’ ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’

Caroline Lamarche, De dag van de hond, (Fr. Le jour du chien, 1996) vertaling Rokus Hofstede, Van Oorschot 1999]