Clément Pansaers, Pan Pan voor de Poeper van de Neger Naakt & Bar Nicanor’, nawoord

Met onfranse overmoed trekt de eerste dadaïst die België heeft voortgebracht het heilige huisje van de volzin omver. Pansaers doet wat maar weinig Franstalige dichters durven: morrelen aan de retorische welvoeglijkheid van de taal. Zijn poëtisch proza houdt het midden tussen coherent betoog en woordenbrij; het bestaat uit betekenisflarden, gemagnetiseerd door middel van ritme en klank.

Het mag ironisch lijken een verfranste Vlaming door een Hollander in het Nederlands te laten vertalen en dadaïstische plaquettes uit te geven in een tijd waarin het begrip avantgardisme problematisch is geworden. Maar zulke puristische overwegingen hoeven aan de poëzie geen afbreuk te doen. Pansaers is geen purist: het gaat hem om ontwrichting (van de zinsbouw), besmetting (van de woordenschat) en woekering (van de beelden). ‘Wie ‘ja’ zegt, moet ook ‘nee’ zeggen.’

Pansaers’ excentrieke oeuvre hangt samen met zijn excentrische positie. Tot de paradoxen die hem aankleven behoort het feit dat deze pleitbezorger van de natuurlijke spontaniteit zijn artistieke en maatschappelijke vrijheid louter en alleen aan de cultuur te danken had, en dat deze voor de symboliek van het baren zo gevoelige dichter zijn moedertaal afzwoor. Pansaers is een kosmopoliet in hart en nieren: hij kiest niet voor het Frans omdat het intrinsiek poëtischer zou zijn maar omdat het de taal van de internationale avantgarde is, en omdat hij eens en voor al wil breken met zijn eigen flamingantistisch-reactionaire verleden. In sommige van zijn zinsflarden (‘vit l’esprit effectivement?’, ‘de la en soie froufroutante marquise’) lijkt zelfs nog de echo van een Nederlandse woordvolgorde hoorbaar. Pansaers’ barbaarse inbreuken op de grammatica maken hem tot één van de weinige echte vernieuwers die de Franse literatuur rijk is.

Bij het vertalen Le Pan-Pan en Bar Nicanor heb ik me niet bij voorbaat willen neerleggen bij het failliet van de betekenis – zoals mijn Duitse collega Holger Fock (Vive Dada! 1989), die zich veelvuldig verschanst achter woordelijke weergaven waarin behalve alle ritme- en klankeffecten ook alle zin zoek is. Als een soort tekstarcheoloog heb ik geprobeerd Pansaers’ betekenisscherven bijeen te sprokkelen en zijn verbale assemblages te reconstrueren. Ik heb hem daarbij niet helderder willen maken, maar wel, als het poëtische effect daarom vroeg, de letter van de tekst soms schaamteloos geweld aangedaan. Idealiter is de vertaling niet meer maar ook niet minder dan een reactualisatie, een gehypnotiseerde heropvoering van Pansaers’ huzarenstukjes, in een poging zijn stem in het Nederlands te laten klinken met een maximum aan resonanties – inclusief de spotzucht en de orakeltoon die hem zo fascinerend (en bijwijlen irritant) maken. Wanneer de betekenis wijkt en ontglipt, rest de lezer niets anders dan, ‘van sferen vrij’, te baden in de chaos.

De titel Pan-Pan voor de Poeper van de Neger Naakt is een (zwakke) poging recht te doen aan de dubbelzinnigheid van ‘Nu’ en ‘Nègre’, twee woorden die zowel substantief als adjectief kunnen zijn – ‘het negernaakt’ of ‘de naakte neger’. ‘Alles voltrok zich, inderdaad, zonder evenwichtig waarom.’

[nawoord van de vertaler bij Clément Pansaers, Pan Pan voor de Poeper van de Neger Naakt & Bar Nicanor, vertaling Rokus Hofstede, Vantilt 2003, © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email