Hetzelfde, maar dan anders

De shortlist van de Europese Literatuurprijs is bekend. Vijf boeken uit vijf landen hebben nu nog kans op de prijs voor het ‘beste vertaalde boek’ van 2013, waarvan de winnaar op 7 september bekend wordt gemaakt tijdens Manuscripta. Maar wat is dat eigenlijk, Europese literatuur?

Het was een aardige column van Bas Heijne in NRC Handelsblad, ergens in de aanloop naar de Europese verkiezingen. Na te hebben gemeld dat hij zich, voor zover hij zich kan herinneren, nog nooit ‘Europeaan’ heeft gevoeld, dist Heijne een paar dolkomische anekdotes op over de geforceerde pogingen om de Europese burger te doordringen van zijn Europese identiteit. Het mooiste voorbeeld: een aak vol dichters uit alle lidstaten die al declamerend de Rijn af zakken om de Groot-Europese gedachte uit te dragen. Pathetisch.

Heijne heeft natuurlijk wel een punt. Identiteit is niet iets wat zich van bovenaf laat opleggen, en al helemaal niet door middel van projecten die alleen maar met dat ene doel zijn bedacht. Wel valt het op dat de doorgaans zo onafhankelijke columnist zich dit keer wel heel makkelijk laat meesleuren in een bepaald populistisch jargon: genoemde projecten worden gemakshalve maar meteen ‘zwaar gesubsidieerd’ genoemd, en de brave krantenlezer ziet direct het beeld opdoemen van een Europese Unie die miljarden verspilt aan de promotie van zoiets belachelijks als het idee van een ‘Europese cultuur’, en dat allemaal over de rug van de Nederlandse belastingbetaler.

Daar valt van alles op te zeggen, bijvoorbeeld dat de EU zelf helemaal geen culturele projecten bedenkt (cultuur is een aangelegenheid van de individuele lidstaten) en dat het totale jaarlijkse cultuurbudget van de EU (dat trouwens grotendeels opgaat aan de filmindustrie) even hoog of laag is als het bedrag dat Nederland onlangs op cultuur heeft bezuinigd: 200 miljoen. Maar veel interessanter is natuurlijk de vraag of dat idee van een Europese cultuur wel echt zo belachelijk is als Heijne het wil voorstellen. Je hoeft je niet per se Nederlander te voelen om te kunnen inzien dat ‘Nederland’ meer is dan een toevallig gevormde geografische eenheid, bijeengehouden door een gemeenschappelijk wetboek en een gemeenschappelijke taal (die overigens ook elders wordt gesproken, zoals Martin Bosma haarfijn zou kunnen uitleggen). Zou zoiets niet ook voor Europa kunnen gelden?

Het idee van Europa als culturele eenheid dateert al van lang voor de oprichting van de Europese Unie. Ook in de meest Eurosceptische hoek zie je het direct opduiken zodra het bijvoorbeeld over het EU-lidmaatschap van Turkije gaat: ‘zij’ zijn niet zoals ‘wij’, want ze staan niet in dezelfde christelijk-humanistische traditie. Het wij-gevoel dat Europeanen op bepaalde momenten dan kennelijk toch hebben, stamt in zekere zin nog uit de tijd van de Romeinen, die met het christendom en het Latijn een ijzersterke tweecomponentenlijm over het Avondland hebben uitgesmeerd. Natuurlijk zijn de onderlinge verschillen groot en is er altijd wel een reden te bedenken voor een nieuwe oorlog, maar naar buiten toe (tegen die vermaledijde Turken en Saracenen) blijven de gelederen doorgaans redelijk strak gesloten.

De Europese literatuur is eeuwenlang sterk getekend geweest door die combinatie van Latijn en christendom. Schrijven was iets wat alleen monniken deden, en aanvankelijk deden ze dat alleen in het Latijn. In een beroemde studie uit 1948, Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter, betoogt Ernst Robert Curtius dat het Latijn om die reden mag worden beschouwd als de bron waar de Europese literatuur aan is ontsprongen, en waar die literatuur uit bleef putten toen men in de verschillende volkstalen begon te schrijven. In de renaissance voegde zich daarbij de studie en vertaling van de Griekse en Romeinse klassieken, die een gemeenschappelijk reservoir van thema’s en mythen vormden waar schrijvers tot op de dag van vandaag op terugvallen.

Natuurlijk is het net zo onzinnig om van ‘de’ Europese literatuur te spreken als om in zijn algemeenheid te zeggen dat je van Franse kaas houdt: het christendom en de klassieken mogen dan voor een gemeenschappelijke basis hebben gezorgd, wat vooral opvalt is de enorme verscheidenheid aan vormen en stromingen – en natuurlijk aan talen. Maar ook die vormen en stromingen blijken vaak weer Europees, zoals heel mooi zichtbaar wordt gemaakt in de driedelige Nieuwe literatuurgeschiedenis (‘Overzicht van de Europese letteren van Homerus tot heden’) die in 1994 bij Meulenhoff is verschenen. In die zin is het nog onzinniger om van ‘Nederlandse literatuur’ te spreken dan van ‘Europese literatuur’, want bijna altijd worden vernieuwingen in nationale literaturen in gang gezet door ontwikkelingen in het buitenland: W.F. Hermans werd geïnspireerd door Kafka, Kafka door Flaubert en ga zo maar door.

In dat uitwisselingsproces spelen vertalingen een hoofdrol. Illustratief in dit verband is wat Milan Kundera, die zelf overigens de roman als Europese kunstvorm bij uitstek ziet, over een van zijn grote inspiratiebronnen zegt: ‘De Rabelais die me rond mijn achttiende heeft betoverd, is een Rabelais in prachtig modern Tsjechisch.’ Vertalingen houden nationale literaturen levend door een vorm te vinden om het vreemde te koppelen aan het eigene. Daarbij treedt automatisch het effect op dat Guus Middag ooit heeft omschreven als ‘hetzelfde, maar dan anders’: een vertaling is altijd een transformatie. De grote denkfout van de beleidsmakers is niet het idee dat er één Europese identiteit zou bestaan (want dat beweert niemand), maar dat de Europese burgers zich meer met elkaar verwant zullen gaan voelen door het passief consumeren van pakketjes kant-en-klare culturele inhoud die ze elkaar toewerpen, al dan niet vanaf een Rijnaak.

Als prijs voor het beste in het Nederlands vertaalde boek (maar dus niet de beste vertaling of de beste tekst van een duo schrijver-vertaler) heeft ook de Europese Literatuurprijs in principe weinig oog voor de scheppende inbreng van de vertaler (al krijgt die wel ruimhartig een deel van het prijzengeld). Een kniesoor die daarop let. Als deze jaarlijkse prijs grotere bekendheid krijgt, en daar begint het inmiddels op te lijken gezien de stickers waarmee de geselecteerde titels dit jaar in de boekhandels liggen, doet hij precies wat ‘Europa’ ook zou moeten doen: boeken onder de aandacht brengen die verdienen te worden gelezen omdat ze laten zien hoe literatuur óók kan zijn. In onze eigen taal, maar toch ook weer niet.

[verschenen in de Volkskrant, 7 juni 2014, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email