Véronique Pittolo, ‘Het voorwerp: het letterlijke en het figuurlijke’ (fragment)

[…] Waarom zegt men in de schilderkunst nature morte, terwijl we de natuur nog zien leven, buiten, het bewegen van de Seine, telkens als we stilstaan voor de fruitschaal van Cézanne? In het Louvre, bij de vrouw met het kamerscherm, blijft mijn blik haken aan het onbeduidende witte kraagje dat de kunstenaar heeft bekoord. Een vrouw en een fruitmand, het is niet hetzelfde, maar ze krijgen dezelfde behandeling. De muze heeft het stadium van lustobject achter zich gelaten, we zien in plaats daarvan alleen een schilderij, zoals Picasso’s Jacqueline, die je niet zou hebben herkend als je haar op straat was tegengekomen.

Strandvangst of restaurantgerecht, op die identiteit wordt Ponges garnaal teruggeworpen, hij staat op geen enkel schilderij afgebeeld.
Chardins brood was het brood van Emmaüs, ongebroken, aan geen pelgrim uitgedeeld. Je zou niet nature morte moeten zeggen, want het meesterwerk leeft voort na mijn verscheiden.

De appel en de berg van Cézanne zijn identiek. De kunstenaar heeft zijn blik op het landschap vernauwd tot een vrucht die hij niet zal eten. Hij is dan al dood. De mens gaat altijd eerder dood dan het ding.

[Véronique Pittolo, ‘L’objet: le propre et le figuré’, in: Terras , nr. 06, ‘On/ding’, vertaling Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email