Big Brother in Marokko

Het moet je maar overkomen: je bent nietsvermoedend een wandelingetje aan het maken en plotseling krijg je een parachutist op je kop. Gelukkig gebeurt dat soort dingen bijna alleen maar in romans – bijvoorbeeld in Kijk uit voor parachutisten van Fouad Laroui. En daar blijft het in dat boek niet bij: de hoofdpersoon, Dinges genaamd, nodigt de parachutist in kwestie uit om onder het genot van een glaasje limonade bij hem thuis te komen vertellen hoe het allemaal heeft kunnen gebeuren – de goede man blijkt ruim een kilometer naast zijn doel, het voetbalstadion, te zijn neergekomen – maar als de gast zich eenmaal op de bank heeft genesteld, is hij niet meer weg te slaan.

Sterker nog, hij trekt alleen nog maar méér ‘gasten’ aan, met als gevolg dat Dinges zijn hoop om in Marokko (want daar speelt het verhaal zich af) als ‘individu’ door het leven te kunnen gaan allengs in rook ziet vervliegen: ‘men’, belichaamd door parachutist Bouazza, verwacht niet alleen van hem dat hij zijn eigen persoon ondergeschikt maakt aan het collectief, men verwacht ook dat hij afziet van elke poging een privé-sfeer te creëren: het collectief heeft recht op de hele mens, inclusief zijn gedachten en gevoelens. Ontsnappen is niet mogelijk, dus er is feite maar één oplossing: ‘Je moet houden van Bouazza’ – de slotzin van het boek.

De verwijzing naar Orwell’s Nineteen Eighty-Four (slotzin: ‘He loved Big Brother’) is duidelijk en veelzeggend. De maatschappij waarin Dinges terechtkomt bij zijn terugkeer naar zijn geboorteland Marokko is dan wel geen dictatuur in de letterlijke zin des woords, maar de overeenkomsten met de totalitaire wereld van Nineteen Eighty-Four zijn groot: Big Brother is hier het naamloze ‘men’, het collectief dat voortdurend over je schouders meekijkt, en net als in het door Orwell verafschuwde communisme ervaart het individu (of de individu, zoals vertaler Frans van Woerden steevast schrijft) die situatie als pure terreur.

Tot zover het ‘idee’. De grote vraag is natuurlijk wat dat oplevert, want het als roman vermomde politieke manifest Nineteen Eighty-Four is zo ongeveer het slechtste voorbeeld dat een romanschrijver die zijn kunst serieus neemt kan uitkiezen om na te volgen. De ronkende statements die Laroui, in het dagelijks leven overigens econoom, in interviews ten beste geeft over ‘de externe uitdaging van de mondialisatie en de globalisering’ (wat is het verschil tussen die twee?) en de ‘innerlijke uitdaging van de democratie’ doen wat dat betreft het ergste vrezen – het ergste, dat wil zeggen een roman die geen vragen stelt maar antwoorden dicteert: geloof nu maar in het individu, beste mensen, dan wordt de wereld er een stuk beter op…

Het lijkt mee te vallen. Laroui mag dan een rotsvast vertrouwen hebben in de kracht van het individu (dat arme kuddedier moest eens weten!), zijn roman is gelukkig een stuk minder orwelliaans dan op grond van het bovenstaande te verwachten viel. Dat komt vooral doordat de personages die het collectief vertegenwoordigen, dat wil zeggen alle personages op een enkeling na, ondanks de terreur die ze uitoefenen geen moment overkomen als de belichaming van het kwaad. Zelfs de indringer Bouazza, de parachutist die het individu Dinges letterlijk ten deel valt, is zo’n slechte vent nog niet: hij kookt lekker, bezorgt zijn gastheer een mooie djellaba (weliswaar op diens eigen kosten) en verdedigt het huis voorbeeldig tegen een aanbellende knokploeg (door Dinges ingehuurd om zijn ‘gast’ te laten verwijderen).

Laroui heeft dus allerminst een zwart-witwereld geschetst, en dat alleen al doet hem het Orwell-niveau ruimschoots ontstijgen. Maar ook de goedmoedigheid van Bouazza en consorten valt in zekere zin natuurlijk nog onder de abstracte boodschap: de goedmoedige terreur van de massa is niet minder totalitair dan het ergste dictatoriale regime, lijkt de auteur ermee te willen zeggen. Daar heeft hij natuurlijk volkomen gelijk in, maar de vraag is opnieuw hoe de roman ons tot dat inzicht wil brengen, en of er nog meer is dan dat inzicht alleen. Komen de personages tot leven als concrete individuen, om het grote woord nog maar eens te gebruiken, of zijn het louter stropoppen die zijn neergezet om het abstracte idee te verbeelden?

Het vreemde is dat het boekje zich aan die tweedeling lijkt te willen onttrekken. Aan de ene kant vertoont zelfs de held van het verhaal, het individu Dinges, afgezien van zijn behoefte aan een privé-leven zo weinig kenmerkende trekken dat hij een pure allegorie lijkt, een onpersoonlijke verzinnebeelding van ‘de Individu’ – de naam ‘Dinges’ zegt het al. Maar aan de andere kant is de roman juist opmerkelijk levendig: de (soms zeer geslaagde, soms bijzonder flauwe) grappen rollen van de bladzijden, het veelvuldige gebruik van spreektaal (knap vertaald door Frans van Woerden) geeft het verhaal iets zeer concreets, alsof Dinges zijn wederwaardigheden live staat te vertellen, en de vele onverwachte bokkensprongen en verhalen-binnen-het-verhaal leiden voortdurend de aandacht af van de centrale stelling.

Maar daarmee staat die stelling nog niet minder centraal: hoe je het ook wendt of keert, Kijk uit voor parachutisten is en blijft een roman à thèse, dat wil zeggen een als roman vermomd politiek program – de titel bevat niet voor niets een gebiedende wijs. Hoe amusant, briljant en onderhoudend het boek bij tijd en wijlen ook is, de eindindruk blijft er voor mij dan ook een van steriliteit. Fouad Laroui weet alles van de wereld en van de uitdagingen die die met zich meebrengt voor de hedendaagse mens, hij kent zelfs het tovermiddel dat Marokko kan opstoten in de vaart der volkeren (het individu! het respect voor de ander! de vrije uitdrukking van alle individuele energieën!), maar hij zou er goed aan doen zich eens te bezinnen over de eenvoudige vraag wat een roman nu eigenlijk is.

  • Fouad Laroui, Kijk uit voor parachutisten, vertaald door Frans van Woerden. Van Oorschot, 2000.

[de Volkskrant, 3 maart 2000, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email