De zichtbare vertaler 13: Vertalen in Europa (vervolg)

Herinnert u zich Diego Marani nog, de sympathieke ambtenaar van de Europese Commissie die ons, de verenigde literair vertalers van Europa, in Arles de tip gaf om de volksliederen van alle EU-lidstaten in alle EU-talen te vertalen en uit te brengen op cd-rom, met steun van de Commissie? Inmiddels heb ik niet alleen berekend dat die cd-rom maar liefst 594 vertalingen zou moeten bevatten (want we hebben het over 27 volkliederen die in 22 talen vertaald moeten worden – nog afgezien van de 44 minderheidstalen), maar heeft ook Marani zelf niet stilgezeten.

Op maandag 20 april vond er namelijk in Brussel, bij mijn weten voor het eerst, een groot symposium over literair vertalen plaats, georganiseerd door de sympathieke ambtenaar-romancier. Niet alleen onze eigen Michaël Zeeman was uitgenodigd én aanwezig, ook EU-voorzitter Barroso was van de partij, geflankeerd door de Roemeense eurocommissaris met portefeuille (meertaligheid) maar zonder portemonnee, Leonard Orban. Dat alles was bijzonder veelbelovend, want de Europese Commissie heeft dan wel al jaren haar mond vol van zaken als ‘interculturele dialoog’ en ‘culturele diversiteit’, tot concrete ondersteuning van de mensen die het moeten doen kwam het tot nu toe maar mondjesmaat. De afgewezen aanvraag voor meerjarige subsidie van de Europese vertalershuizen ligt iedereen nog vers in het geheugen.

Barroso had een ronkende openingsspeech: elke literaire vertaling, zo zei hij, ‘verandert iets aan datgene wat ze doorgeeft, creëert iets wat er voorheen niet was, zorgt voor beweging en vernieuwing’. Toen ik als coauteur van het recente Nederlandse vertaalpleidooi precies dezelfde zin verzon, dacht ik niet zozeer aan de voorliefde van beleidsmakers voor ‘innovatie’, als wel aan de status van de literair vertaler als auteur, als iemand die een ‘oorspronkelijk werk van letterkunde’ maakt (zoals het in onze auteurswet heet) en dus niet zomaar een veerman is die een altijd aan zichzelf gelijk blijvende tekst over de taalgrens heen zet. Maar het beleidsbloed kruipt waar het niet gaan kan, en mijn zin is dus inmiddels keurig geïncorporeerd in het innovatiediscours waarmee politici hun handeltje gaande houden (innoveren is altijd beter dan concrete problemen oplossen).

Eerlijk gezegd vind ik dat niet eens zo erg. Als de Europese Commissie gaat erkennen dat literair vertalen een vorm van taal- en cultuurvernieuwing is, en als dat inzicht wordt opgenomen in het officiële verhaal dat ten grondslag zal liggen aan het volgende Europese cultuurprogramma (2014-2021), waarvan de voorbereidingen nu in volle gang zijn, dan zijn we toch een stap verder. Culturele diversiteit is prachtig, interculturele uitwisselingen nog mooier, maar voor de Europese literair vertalers kan de (momenteel ronduit erbarmelijke) situatie pas verbeteren als de nationale en Europese beleidsmakers in hun plannen een plaats voor hen inruimen als actieve cultuurdragers die ondersteuning nodig hebben om kwaliteit te kunnen leveren.

En opmerkelijk genoeg kwam het symposium daar na een tamelijk grauwe dag ook op uit, zowel in de samenvatting van rapporteur Jacques De Decker als in de slotrede van commissaris Orban. Zoals de Belgische vertaler Tom De Keyzer het eerder op de dag bondig verwoordde: voor peanuts kun je monkey translations verwachten.

[VvL.nu 9 (zomer 2009), © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email