De grap van de geschiedenis

De grap is Milan Kundera’s eerste roman. Hij schreef het boek in Tsjecho-Slowakije gedurende de tijd van toenemende politieke ontspanning die voorafging aan de Praagse Lente van 1968, en voltooide het eind 1965. Nadat hij een jaar lang alle door de censuur voorgestelde aanpassingen en inkortingen had afgewezen, verscheen de roman uiteindelijk geheel ongewijzigd in het voorjaar van 1967: een zeer opmerkelijk feit, gezien de openhartigheid waarmee Kundera de communistische terreur van de jaren vijftig beschrijft. Na de inval van de Russen in augustus 1968 kwam zijn hele werk dan ook al snel op de index te staan, hij verloor zijn baan en emigreerde in 1975 noodgedwongen naar Frankrijk, waar zijn werk inmiddels grote faam genoot.

Door de historische context waarin De grap tot stand kwam, was het onvermijdelijk dat het westerse publiek in Kundera een politiek geëngageerde schrijver zou zien, een ‘dissident’ die de verschrikkingen van het communisme aan de kaak stelde. Tegen dat beeld heeft hij zich zelf altijd fel verzet. In het nawoord bij de derde en definitieve Franse vertaling van De grap merkt hij in mei 1985 cynisch op: ‘Inmiddels hebben de herkauwers van de actualiteit de Praagse Lente en de Russische invasie allang vergeten. Paradoxaal genoeg kan De grap juist daardoor eindelijk weer worden wat het boek altijd heeft willen zijn: een roman en niets anders dan een roman.’ Maar van een stigma kom je moeilijk af: ook Kundera’s bekendste roman, De ondraaglijke lichtheid van het bestaan uit 1984, werd en wordt door velen gezien als een politiek boek, hoezeer de auteur er ook op blijft hameren dat kunst juist het tegendeel moet zijn van ideologische propaganda, bewieroking van een of andere ideale wereld.

‘Een roman en niets anders dan een roman.’ Uit de mond van een andere schrijver zou dat kunnen betekenen: fictie, vermaak op niveau, niet meer dan dat (de lezer loopt geen enkel gevaar, het boek zal geen gevolgen in de werkelijke wereld hebben en ophouden te bestaan zodra het wordt dichtgeslagen). Maar uit de mond van Milan Kundera is de geciteerde zin allesbehalve een uiting van bescheidenheid, als zou het boek slechts een roman zijn. Voor hem is het genre van de roman niet het vuilnisvat van de literatuur, maar een autonome kunstvorm die iets te bieden heeft wat nergens anders kan worden gevonden: de roman onderzoekt de manier waarop concrete individuen zich tot elkaar en tot de wereld verhouden en verwoordt zodoende een specifiek soort kennis, niet psychologisch en niet sociologisch maar existentieel. Centraal in die opvatting staat het personage, dat bij Kundera altijd een bepaalde existentiële mogelijkheid vertegenwoordigt, een manier om in de wereld te staan – waarvan de roman de consequenties tot op het bot ontleedt.

Die ontleding heeft vaak de vorm van een tragikomische ontluistering, en in dat opzicht is De grap meteen een typische Kundera-roman. Ludvík, de hoofdpersoon en voornaamste verteller, haalt een ogenschijnlijk onschuldige grap uit met zijn vriendin Markéta door haar een ansichtkaart met een ironisch tekstje te sturen, maar wordt vervolgens zelf het slachtoffer van de veel ingrijpender grap die de geschiedenis met hem uithaalt – niet alleen door hem zeer zwaar voor zijn ansichtkaart te straffen, maar vooral ook door elke vorm van herstel (hetzij door wraak, hetzij door vergiffenis) bij voorbaat uit te sluiten: het verleden is onherroepelijk verdwenen. Ludvík formuleert die conclusie in volstrekt apolitieke termen, en in de loop van de bildungsroman die De grap zodoende blijkt te zijn, wordt duidelijk dat Kundera zijn pijlen richt op iets veel algemeners dan de terreur van het communisme, iets wat we terugblikkend vanuit zijn volgende roman, Het leven is elders, ‘het lyrische’ zouden kunnen noemen. Ludvík heeft het al expliciet over zijn ‘woede op de stompzinnige lyrische leeftijd’ en zijn ‘wrok tegen onvolwassenheid’: hij beseft dat hij jarenlang een wand van bewegende spiegels om zich heen heeft opgetrokken waarin hij enkel zijn eigen gevoel, zijn eigen ontroering en zijn eigen waarde terugzag, blind voor de wereld en blind voor de geschiedenis. Op dezelfde manier zijn de communistische studenten ‘lyrisch’: ze verkeren in de geëxalteerde illusie dat zij aan het roer van de geschiedenis staan, en de terreur die ze uitoefenen is daar een logisch gevolg van.

In zijn latere werk zal Kundera zijn kritiek op het lyrische steeds explicieter en nauwkeuriger gaan formuleren, met als hoogtepunt het lange essay over kitsch in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan en de beschouwing over Homo sentimentalis in Onsterfelijkheid. Daarvoor is eerst een belangrijke verteltechnische verandering nodig. De grap is Kundera’s enige roman waarin de personages in de ik-persoon hun eigen verhaal vertellen, elk in zijn eigen stijl, wat allerlei beperkingen van psychologische en stilistisch-realistische aard met zich meebrengt: zoals Marcel Proust zijn eigen stem vond door in de ik-persoon te gaan schrijven, zo vond Milan Kundera zijn eigen stem door die ik-persoon te verlaten, of liever gezegd te verruilen voor de (eerst nog impliciete, later nadrukkelijk op de voorgrond tredende) ik-persoon van de schrijver-verteller die beschrijft wat hij voor zijn geestesoog ziet gebeuren en daar zijn commentaar op geeft. Dat verklaart ook waarom Kundera’s volgende romans veel minder dan De grap op de spanning van het verhaal leunen en de lezer veel meer het idee geven van een wandeling, een beweging door de ruimte in plaats van door de tijd.

Toch is De grap geen jeugdwerk, maar het werk van een rijpe schrijver die zijn eigen thematiek en invalshoek heeft ontdekt. Niet voor niets beschouwt Kundera deze roman als zijn opus 1: na tal van meer of minder geslaagde pogingen (muziek, toneel, poëzie, verhalen) is dit het eerste werk waarin hij zich volledig kan vinden op een niet-lyrische manier, zoals ook Ludvík uiteindelijk een niet-lyrische blik op zijn eigen verleden kan werpen. En door de ogen van Ludvík kijkt Kundera zelf terug op het verleden. Niet alleen op zijn eigen verleden en dat van een op drift geslagen natie, maar vooral ook op het lyrische verleden dat in ons allen huist.

[Nawoord bij Milan Kundera, De grap, vertaling Jana Beranová. Ambo, oktober 2004, © Martin de Haan.]

Print Friendly, PDF & Email