De lyrische leeftijd

De lyrische leeftijd. Zo had Milan Kundera zijn tweede roman, Het leven is elders, eerst willen noemen. Tegenwoordig zou hij misschien hebben gekozen voor een beknoptere titel in de lijn van zijn laatste vier romans, een titel als van een allegorie à la Giotto, die in één begrip de kern van het werk weergeeft: Onervarenheid bijvoorbeeld, of Vervoering. Want Het leven is elders vertelt niet zomaar het verhaal van een jonge dichter, maar het verhaal van de jonge dichter in het algemeen – waarbij de termen ‘jong’ en ‘dichter’ niet los van elkaar moeten worden gelezen, maar een pleonastisch geheel vormen: de jeugd is de leeftijd van het lyrische, en in het lyrische ligt de essentie van de jeugd besloten. Kundera’s roman ontleedt die twee-eenheid op een ironisch-afstandelijke manier, legt er de logica van bloot en laat zien waar ze toe leidt wanneer ze in daden wordt omgezet. Het leven is elders is dan ook niet alleen een boek over het lyrische, maar vooral ook een boek tegen het lyrische, een van de radicaalste kritieken op het sentimentalisme sinds Madame Bovary.

Niet alle poëzie is lyrisch. ‘Poëzie is niet hetzelfde als lyriek, en lyriek al helemaal niet hetzelfde als metaforiek,’ luidt een beroemde uitspraak van de Franse dichter en romancier Raymond Queneau, gericht tegen de dominante post-romantische tendens in de dichtkunst, die poëzie gelijkstelt aan lyriek en lyriek aan het gebruik van ‘mooie beelden’ waarin de unieke persoonlijkheid van de dichter zich kan spiegelen. Ook Milan Kundera gebruikt graag beelden, maar in tegenstelling tot de beeldspraak van de lyricus zijn die niet decoratief of expressief: ze drukken een existentiële situatie uit en verwoorden een inzicht dat niet op een andere manier kan worden verwoord. Wanneer Jaromil voor het eerst de arm van een meisje vastpakt en zij niet op dat gebaar reageert, lezen we dat Jaromils hand ‘verlegen op haar lichaam bleef rusten als een vreemd voorwerp, een tas of een pakje dat erop was neergelegd en dat de eigenares was vergeten en elk moment kon laten vallen’: de objectiverende, van elk sentiment gespeende vergelijking geeft in een paar woorden zeer nauwkeurig aan hoe Jaromil de situatie ervaart, veel nauwkeuriger en beknopter dan een gewone beschrijving had gekund. Elders, in een beschouwende passage, constateert Kundera: ‘De onrijpheid van de dichter mag dan onze lachlust wekken, we kunnen er ook door worden verrast: de woorden van de dichter bevatten een druppel die uit het hart omhoog is gekomen en die zijn verzen de glans van de schoonheid verleent. Maar om die druppel uit het hart van de dichter te krijgen is absoluut geen levenservaring nodig, wij denken eerder dat de dichter zijn hart uitknijpt zoals een kokkin een citroen uitknijpt boven de salade.’ Ook hier is de vergelijking objectiverend en vrij van sentiment, wat in deze context neerkomt op een ontheiliging. Maakt niet juist de onrijpheid van de dichter, het feit dat hij nog niet is afgestompt door zijn omgang met de wereld, zijn gedichten zo mooi? Jawel, zegt Kundera, maar lyrische schoonheid gaat noodzakelijkerwijs gepaard met de verblinding van de extase: in de spiegelwand van zijn gedichten ziet de dichter alleen zichzelf, hij is zijn eigen onweerlegbare waarheid, en als hij die waarheid in daden wil omzetten moet de hele wereld daarvoor wijken.

Vandaar de intieme relatie tussen lyriek en revolutie: alle lyrici zijn potentiële revolutionairen, alle revolutionairen zijn lyrici, en allemaal zijn ze jong en onschuldig. Maar zodra ze hun waarheid in daden omzetten en er bloed vloeit, verliezen ze hun onschuld: ze hebben de werkelijke wereld betreden, en algauw zijn ze hun eigen daad niet meer meester. In zijn vierde roman, Het boek van de lach en de vergetelheid, geschreven vlak na zijn emigratie naar Frankrijk, beschrijft Kundera hoe sommige van die jonge enthousiastelingen (in dit geval jonge Tsjechische communisten, onder wie de schrijver zelf) wanhopig proberen de daad die hun ontsnapt is weer in het gareel te krijgen, en met die daad hun eigen jeugd; maar de lyrische geest is uit de fles, de Russische tanks rollen Praag binnen en de opjagers van de daad worden verstoten… Kundera’s hele oeuvre kan worden gezien als een radicale kritiek op het lyrische en de bloedige gevolgen die het heeft zodra het de grens tussen droom en daad overschrijdt. Het leven is elders legt in die zin de fundamenten voor alle latere romans, die dit thema uitwerken in allerlei variaties. ‘Door middel van het gedicht manifesteert de mens zijn akkoord met het zijn,’ constateert Kundera in een mooie analyse over revolutie en rijmende poëzie (want voor zijn roodharige vriendin gaat Jaromil rijmende, traditionele poëzie schrijven), en daarmee formuleert hij een leidmotief dat in veel van zijn romans zal terugkeren: het lyrische is een extatisch, tijdloos ja tegen het leven, het is het rijk van de Idylle, het rijk van de engelen (Het boek van de lach en de vergetelheid), het rijk van de kitsch (De ondraaglijke lichtheid van het bestaan), het rijk van orgieën en identiteitsverlies (Identiteit).

Tegenover die Grote Idylle, die lyrische droom van een verenigde, dansende mensheid zonder geheimen, plaatst Kundera een bescheiden, kleine idylle: de idylle van het intieme samenzijn zonder dromen en grootse toekomstplannen. Het is de melancholieke idylle van wie de wereld heeft leren accepteren zoals hij is, de idylle van de ervaring. De opvallendste verschijning ervan binnen Kundera’s werk is ongetwijfeld het laatste boekdeel van De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, waarin Tomas en Tereza zich terugtrekken op platteland, maar Het leven is elders bevat een zeker zo mooi voorbeeld van die kleine idylle: het zesde boekdeel, gewijd aan de naamloze ‘veertiger’ (de leeftijd van de ervaring, tevens die van Kundera zelf op het moment van schrijven). Het is het boekdeel waarin niets moet, het boekdeel dat de lokroep van de wereld negeert, en dat als een vredige lamp zijn vriendelijke schijnsel afgeeft binnen het geheel van de roman. Een oase van rust, of beter: een vrijstaand tuinhuisje op enige afstand van de villa.

In dat prieeltje schuilt de poëzie van Milan Kundera.

[Nawoord bij Milan Kundera, Het leven is elders, vertaling Jana Beranová. Ambo, oktober 2004, © Martin de Haan.]

Print Friendly, PDF & Email