Pascal Quignard, ‘God’ (fragment)

Hij was klein, tenger, van Portugese afkomst en ooit jood geweest. Colerus vermeldt dat hij zijn dagen sleet gehuld in een vlekkerige kamerjas, waarover hij was gekapitteld door een raadsheer van de stad Amsterdam. Hij had grijze schoenen met zilveren gespen. Zijn kousen waren van gekeperde wol. Hij droeg een zwart Turks bovenkleed, een befje, een zwarte mof.

Zijn bibliotheek bevatte honderdzestig boeken. Hij sleep glas voor astronomische verrekijkers en voor de tubes van microscopen. Zijn dagelijkse uitgaven bedroegen vier en een halve stuiver. Zijn maaltijd bestond uit met boter aangemaakte melkpap en een kan bier. Wijn kocht hij in ter waarde van tien halfpinten per maand. Bij het aanbreken van de dag nam hij plaats voor zijn werkbank. Elke stukje glas dat hij door het hanteren van zijn diamant lossneed van de glazen schijf, weerkaatste even een flard licht. Van Rooijen vermeldt voorts dat wanneer de zon daalde, hij het slijpsel dat zich had verspreid rond het stuk dat hij sneed bijeenveegde en in de vuilnisbak gooide. Hij stak een kaars aan en mediteerde. Hij rookte een enkele pijp per dag, en wanneer op dat tijdstip een vriend verscheen, begon hij graag aan een partij schaak. Hij hield ervan om te kijken naar het vechten van spinnen in een doos.

Ons leven voltrekt iets eeuwigs. Zinnelijk genot is eenzelfde rilling voor allen en voor altijd. Onze benen zijn zo licht en naakt. Hij meende dat we bij onze geboorte deelgenoot waren gemaakt van het heden en van de actieve gelukzaligheid. Hij zei: ‘Wij worden omvat door het geluk, door het eeuwige hier en nu. Gebruik de woorden die u wilt. Alles bestaat uit eenzelfde bruisende materie, alles beweegt in eenzelfde branding. God veronderstelt zomin plan als doel. Ziel en lichaam zijn niet van elkaar te onderscheiden. God, het leven, het heelal, de natuur, het denken en het verlangen blijven gevangen in hetzelfde raderwerk. Een straal van het licht dat toevloeit van de zonnemassa, een orgaan dat hangt en zwelt door begeerte, een gomboom, Saturnus, lippen opgetrokken rond de gele snijtanden van tijgers, een luit, de kan gistend bier, Descartes, het Spui, de herinnering aan Clara-Maria van den Enden – het is een en hetzelfde. Wij zijn fragmenten van het levensrijk. De slijtage van de wereld, de ontaarding van de taal, de teugelloosheid van tirannieën bemoeilijken de taak van het denken, die erin bestaat dat rijk te doen heersen. Daarom is het denken even moeilijk als zeldzaam.’

[Pascal Quignard, ‘God’ (Fr.: ‘Dieu’, in Petits traités I p.35-41), vertaling Rokus Hofstede, Raster, 2004:105]

Print Friendly, PDF & Email