Pascal Quignard, ‘God’ (fragment)

Hij was klein, tenger, van Portugese afkomst en ooit jood geweest. Colerus vermeldt dat hij zijn dagen sleet gehuld in een vlekkerige kamerjas, waarover hij was gekapitteld door een raadsheer van de stad Amsterdam. Hij had grijze schoenen met zilveren gespen. Zijn kousen waren van gekeperde wol. Hij droeg een zwart Turks bovenkleed, een befje, een zwarte mof.

Zijn bibliotheek bevatte honderdzestig boeken. Hij sleep glas voor astronomische verrekijkers en voor de tubes van microscopen. Zijn dagelijkse uitgaven bedroegen vier en een halve stuiver. Zijn maaltijd bestond uit met boter aangemaakte melkpap en een kan bier. Wijn kocht hij in ter waarde van tien halfpinten per maand.

> Lees verder

De Nederlandse afwijking. Het ‘wilde type’ van het grachtenhuis

‘Wat mij opvalt als Duitser is dat men de bijzonderheid van de Nederlandse bouwgeschiedenis hier nauwelijks waardeert. Of zelfs ronduit miskent. Kijk naar het Amsterdamse grachtenhuis: dat bouwtype is uniek, vergeleken met wat er in de 16e en 17e eeuw in de rest van Europa werd gebouwd.’

Aan het woord is Michael Hellgardt, Berlijner in Amsterdam. Anderhalf jaar geleden promoveerde Hellgardt aan de Technische Universiteit in Eindhoven op een proefschrift over de geschiedenis en theorie van het type-begrip in de architectuur. In dat aan de Nederlandse aandacht ontsnapte boek staat hij uitvoerig stil bij de ‘niederländische Abweichung‘, de bijzondere historie van het grachtenhuis.

> Lees verder