Binnenlandse ballingen

Bij wijze van presentatie van de drie voor Terras vertaalde Franstalige auteurs (Pierre Bergounioux, Eugène Savitzkaya en Jean-Loup Trassard) zou ik kunnen volstaan met het voorlezen van een paar fragmenten uit hun teksten. Maar het ontdekken van die teksten laat ik graag aan toekomstige lezers over. Interessanter, voor mij en hopelijk ook voor u, lijkt mij de poging om een vraag te beantwoorden die zich opdrong tijdens het vertalen van de fragmenten. Die vraag luidt als volgt: Waarom heeft een verstokte stedeling als ik zo’n uitgesproken zwak voor plattelandsschrijvers?

Anders dan sommige van mijn naaste vrienden heb ik namelijk geen enkel verlangen naar ‘de buiten’, zoals het in Vlaanderen heet. Weliswaar doe ik werk dat zich bij uitstek leent voor een afgezonderd, contemplatief plattelandsbestaan, in een hutje op de hei kun je prima vertalen, maar feit is dat ik niet het minste arcadische, bucolische of idyllische verlangen koester; als ik mijn deur achter me dichtsla wil ik mensen zien, cafés bezoeken, boekhandels en bibliotheken aantreffen.

Toch heb ik al vele jaren lang een voorliefde voor plattelandsschrijvers. De term is onnauwkeurig; ik doel op een bepaald type Franstalige auteurs, taalvernieuwers afkomstig uit de periferie van de Franse letteren (en in Frankrijk is ongeveer alles wat niet Parijs is periferie); auteurs die aan hun vertrouwdheid met het boerenleven een gespannen relatie met de taal van het stedelijke centrum overhouden, de zogeheten ‘schone taal’, de taal van de woordenboeken, de taal van academies en academici, de taal ook van de media. Ik denk hier aan de grote Frans-Zwitserse schrijver Charles-Ferdinand Ramuz, aan mijn lievelingsauteur Pierre Michon, aan tijdgenoten van Michon als Pierre Bergounioux en Jean-Loup Trassard, of aan een jongere, hedendaagse auteur als Marie-Hélène Lafon.

Overigens ben ik niet kieskeurig, ik hou ook van stedelijke auteurs. Laat ik beginnen met het voorlezen van een citaat van een bij uitstek stedelijke schrijver, Georges Perec. Wat Perec in Espèces d’espaces over het platteland schrijft, is mij uit het hart gegrepen. Ik citeer uit Ruimten rondom (mijn vertaling uit 2008):

Over het platteland heb ik niet veel te zeggen: het platteland bestaat niet, het is een illusie.

Voor het merendeel van mijn medemensen is het platteland het ontspanningsoord dat hun weekendhuisje omringt en dat langs een deel van de snelwegen ligt die ze op vrijdagavond nemen om erheen te gaan; zijn ze een beetje kranig, dan zullen ze er op zondagmiddag een paar meter van doorkruisen voordat ze teruggaan naar de stad, waar ze de rest van de week hoog zullen opgeven van de terugkeer naar de natuur.

Toch ben ik net als iedereen meer dan eens op het platteland geweest (de laatste keer, dat weet ik nog heel goed, was in februari 1973; het was erg koud). Ik hou trouwens van het platteland […]: ik vind het fijn om op het platteland te zijn: je eet er boerenbrood, je haalt er ruimer adem, je ziet er soms dieren die je in de stad vrijwel nooit ziet, je stookt een vuurtje in de open haard, je speelt er scrabble of andere gezelschapsspelletjes. Je hebt er, laten we wel wezen, vaak meer ruimte dan in de stad en haast evenveel comfort, en soms evenveel rust. Maar dat alles lijkt me niet toereikend om er een wezenlijk onderscheid op te baseren.

Het platteland is buitenland. Dat zou niet zo moeten zijn, maar toch is het zo; dat had niet zo hoeven zijn, maar zo is het geweest en zo zal het voortaan wezen: het is hoe dan ook te laat om daar nog iets aan te veranderen.

Ik ben een stadsmens; ik ben geboren en getogen in de stad en heb er zowat mijn hele leven gewoond. Mijn gewoonten, mijn ritmes en mijn woordenschat zijn de gewoonten, ritmes en woordenschat van een stadsmens. De stad is mijn domein. Ik voel me er thuis: asfalt, beton, hekken, het stratennet, grauwe gevelrijen zover het oog reikt, het zijn stuk voor stuk dingen die me kunnen ergeren of verbazen, maar zoals ik me zou kunnen ergeren of verbazen over de geweldige moeite die het kost om je eigen nek te bekijken of over het niet te rechtvaardigen bestaan van voorhoofdsholten en bijholten. Op het platteland ergert me niets; bij wijze van gemeenplaats zou ik kunnen zeggen dat alles me er verbaast; in feite laat alles me er min of meer koud.[…] Ik heb wel eens in boeken gelezen dat het platteland bewoond werd door boeren, dat boeren met de zon opstonden en met de zon naar bed gingen, en dat hun werk onder andere bestond uit kalken, mergelen, scheuren, eggen, houwen, rooien, rijven, garven, kuilen, enten of verspenen. De handelingen die die werkwoorden aanduiden zijn voor mij exotischer dan de handelingen die bijvoorbeeld vereist zijn voor het repareren van een cv-ketel met warmwatervoorziening, een terrein waarop ik nochtans helemaal niet deskundig ben.

Natuurlijk zijn er uitgestrekte gele velden waarin blinkende machines voren trekken, coulisselandschappen, akkers begroeid met klaver en wijngaarden zover het oog reikt. Maar van die ruimten weet ik niets af, voor mij zijn ze onbegaanbaar. Het enige wat ik kan kennen zijn […] de verbouwde boerderijen waar het juk van de ossen een hanglamp is geworden en de korenmaten nu prullenmanden zijn (ik heb er een, waar ik erg aan gehecht ben), de meewarige artikelen over het fokken van kalfjes en de nostalgische gedachte aan kersen die je ging eten in de boom.

Maar nu eerst een kleine steekproef. Wie van u heeft al eens een weekje doorgebracht in een huisje op het Franse platteland? Wie van u heeft een relatie – familie, vrienden – die in het bezit is van een huisje op het Franse platteland? Wie van u is zelf de bezitter van een huisje op het Franse platteland? Als je ervan uitgaat dat er circa 100.000 Franse vakantiehuizen in het bezit zijn van Nederlandse eigenaars, als je daar de tweedehuisjesbezittende Belgen, Duitsers, Engelsen bijrekent en ook de Fransen zelf niet vergeet, dan krijg je een visioen van een immens territorium waarvan het overgrote deel van de oorspronkelijke bevolking is weggetrokken, hooguit gedurende enkele weken of maanden per jaar vervangen door de stadsmensen waar Perec over schrijft. Die eliminatie van de boerenbevolking, hoewel zij in Frankrijk anders dan in bijvoorbeeld de Sovjetunie niet met staatsgeweld gepaard is gegaan, vertegenwoordigt een verkapte vorm van gewelddadigheid – de betrokkenen hadden geen keus. Nog belangrijker is dat de verdwijning van de kleine, zelfvoorzienende boer een grotendeels onomkeerbaar proces is geweest. Een cultuur die zich vanaf de prehistorie min of meer geleidelijk aan had ontwikkeld, is de afgelopen anderhalve eeuw tot stilstand gekomen.

Jean-Loup Trassard en Pierre Bergounioux getuigen in hun omvangrijke werk van dat proces, ze zijn er de chroniqueurs van. Beiden hebben rurale antecedenten, Trassard is zelf nog altijd boer; beiden hebben een academische opleiding gevolgd en in meerdere of mindere mate de ontworteling van de plattelander die naar de grote stad verhuist leren kennen. Ze zijn wat in het Frans met een suggestieve term wordt betiteld als ‘immigrés de l’intérieur’, binnenlandse ballingen. Kenmerkend voor het werk van auteurs als Trassard en Bergounioux, maar ook Michon of Ramuz, is dat hun werk diametraal tegengesteld is aan wat ‘streekliteratuur’ wordt genoemd, een paraplu-term voor  oubollig-realistisch, vaak sentimenteel of moralistisch romanproza (denk aan Stijn Streuvels en Felix Timmermans, aan Anton Coolen en Herman de Man). Ze hanteren een uitgekiend, rijk vocabulaire, zijn vaak bijzonder bloemrijk en barok, maar verdraaien tegelijk de canonieke regels van het ‘schone schrijven’; er komen plattelandsritmes in hun werk voor, abrupte, cryptische formuleringen, het patois laat er zijn sporen in achter. De taal van deze schrijvers heeft een zekere weerbarstigheid, iets stroefs en moeizaams, waaraan je de moeite kunt aflezen die het leren beheersen van boekentaal, oftewel een van oorsprong uitheemse taal, heeft gekost. Trassard en Bergounioux schrijven niet vóór de boeren over wie ze schrijven; hun op een stedelijk leespubliek gerichte proza bestendigt de ontworteling waarvan ze in dat proza getuigen. Opvallend ook is dat hun werk niet uitblinkt door de typische ironie, de spitse lichtheid die kenmerkend is voor een stedeling par excellence als Perec.

De vraag die ik aan het begin van dit praatje stelde kan ik nu misschien proberen te beantwoorden. Het proza van genoemde plattelandsschrijvers getuigt van een creatieve worsteling met de taal, die van binnenuit wordt vernieuwd: door de combinatie van plattelandsritmes en preciositeit wrikken ze aan de welvoeglijkheid van het academische Grotestandsfrans. In die dwarse, averechtse verhouding tot de dominante taal herken ik mijn eigen positie als vertaler. Ook vertalers zijn tot op zekere hoogte binnenlandse ballingen, wier verhouding tot taalnormen onzeker is; om de vreemde taal in hun eigen taal te laten doorklinken kunnen ze niet blindelings terugvallen op eenduidige normen van ‘zuiver’ taalgebruik. Het rijke maar weerbarstige proza van een Ramuz of een Michon, een Bergounioux of een Trassard is daarmee voor mij als vertaler een ideaalmodel – want ook ik wil de rijkdom en de weerbarstigheid van de auteurs die ik vertaal behouden en tot klinken brengen, niet gladstrijken of vervlakken.

Zelfs de opvallende liefde voor oud landbouwgereedschap in de voor Terras vertaalde fragmenten van Trassard en Bergounioux strookt misschien met de situatie van de vertaler. Aan die liefde ligt bij de auteurs in kwestie geen nostalgie ten grondslag, geen terugverlangen naar een geïdealiseerd verleden, maar een vorm van ontroering, van deernis ook, tegenover de in werktuigen opgeslagen geschiedenis en de vergeefsheid van hun voortbestaan. Die loodzware, onhandelbare ijzeren voorwerpen zijn de exemplarische zij het stille getuigen van een boerencultuur die teloor is gegaan samen met alle bijbehorende ervaringskennis. De Franse etnoloog Marcel Mauss heeft het in een beroemd artikel uit 1934 over techniques du corps, ‘lichaamstechnieken’; volgens Mauss bestaan er geen natuurlijke manieren om het lichaam te gebruiken; elke lichamelijke handeling, ook slapen, eten, zitten of vrijen, is het resultaat van een leerproces. Gereedschap is ‘omkleed met gebaren, die verstarren’, schrijft Jean-Loup Trassard; de technieken die een instrument veronderstelt, de virtuoze dans van het lichaam die er als een latent programma in besloten ligt, sterven af zoals een taal die niet meer gesproken wordt. Er zijn verschillende vormen van slijtage –ook wat niet gebruikt wordt, slijt. En wat oud landbouwgereedschap is voor de chroniqueurs van de verdwijnende boerenbeschaving, zijn taalarchaïsmen voor de vertaler; ook de vertaler kan worden ontroerd door de schoonheid van woorden of uitdrukkingen die in onbruik dreigen te raken, ook hij kan proberen ze in zijn vertalingen in ere te houden.

Presentatie Terras 01, Perdu, 17-12-11

Print Friendly, PDF & Email