Pierre Bergounioux, ‘De sloop’ (fragment)

[…] Het geschenk van de zon komt ook uit de metaalgieterij. Maar het is chroomstaal, van het soort waarvan schroefsleutels worden gemaakt. Het is namelijk gewoon een Engelse sleutel, hoewel mij ontging welk vorig leven het had gehad, en zelfs, voordat ik het uit de vingers van het licht had overgenomen, welk tweede leven het bezielde. Ik was verblind. Ik zag een verblinding. In mijn hand is het een moeder met kind geworden. Dat is tenminste waar je aan denkt wanneer een kleiner ding tegen een groter ding aangeklemd staat. Maar misschien dat een ander woord even passend zou zijn, want het is nou eenmaal een stuk Engelse sleutel en er mogen dan twee dingen dicht tegen elkaar aan staan, het grotere doet nauwelijks aan een volwassen mens denken en dan nog alleen vanwege de relatieve omvang ervan, en uit de bijkomende overweging dat één op de twee volwassenen een vrouw is. De vaste kaak is afgeknapt, samen met het volledige deel van de as, bij maximale spreiding van de twee kaken. De breuk biedt de licht korrelige aanblik van gestanst gietstaal. Wat de steel betreft, die was afgebroken even boven het uitspringende geribbelde wieltje. Ik begon te mijmeren over de beproeving die dit meer dan 3 vierkante cm dikke stuk gereedschap van gehard chroomstaal had moeten doorstaan, in de wetenschap dat de legering een Brinellhardheid kent van 665, wat overeenkomt met een weerstand van 230 kgf/mm2.

Het stuk is 120 mm hoog en aan de voet maximaal 70 mm breed. Het weegt 730 gram. Het heeft de doffe glans van mat zilver. Een in het metaal gegraveerde inscriptie gaat half schuil achter de platte ring van de verstelbare kaak.

Nadat het door amputatie het vermogen had verloren om alle moeren ter wereld te kunnen vastgrijpen, waartoe het uit hoofde van zijn aard was voorbestemd, lijkt het werktuig alleen zijn overgebleven delen nog te omklemmen, waarbij de ring symbool staat voor de omhelzende armen, die evengoed kunnen toebehoren aan de volwassene als aan het kind. Niets let ons ze te beschouwen als de eenwording van vier ineengestrengelde armen, die de twee rompen waartoe ze respectievelijk en paarsgewijs behoren, samenvoegen. Ik heb me maar hoeven bukken, alsof ik een flard zon oogstte. Dat stuk staat nu voor me. Ik kijk er vaak naar, ik zie het voor me zodra ik mijn ogen sluit, met de omvang, de zachte glans die het heeft wanneer ik het met open ogen aanschouw. Soms zelfs voel ik de behoefte het in mijn hand te nemen. Na een poosje heeft het metaal de temperatuur van mijn lichaam. De dichtheid ervan, die ik nog wel gewaarword, lijkt van binnenuit te komen.

[Pierre Bergounioux, fragment uit De sloop (Fr.: La Casse, 1994), vertaling Rokus Hofstede, in: Terras 01, december 2011]

Print Friendly, PDF & Email