Marcelle Sauvageot, ‘Commentaar’, fragment

14 december 1930

Er zijn smartlappen die beginnen zoals uw brief: ‘U die ik zo heb liefgehad…’ Als het heden nog zo dichtbij naklinkt, is die verleden tijd droevig als het einde van een feest, wanneer je na het uitgaan van de lampen eenzaam achterblijft en de stellen ziet vertrekken, de donkere straten in. Het is afgelopen: je hebt niets meer te verwachten en toch blijf je daar eindeloos lang staan, wetend dat er niets meer zal komen. Ik hoor uw gitaar tokkelen, soms lijkt het wel een terugkerend refrein: ‘Ik had u niet gelukkig kunnen maken.’ Het is een oud liedje van vroeger, dat doet denken aan een droogbloem… Wordt het verleden zo snel iets ouds?

Marcelle Sauvageot, CommentaarWat is dat, Geluk? Een woord uit een klaaglied. U bent degene die het personifieert, identificeert, definieert. Kan daar wel zo over worden gesproken als u doet?

Als een geur je bevalt, probeer je hem vast te houden en terug te vinden. Je laat je er niet volledig door bedwelmen, want je wilt hem analyseren en er geleidelijk van doordrongen raken, waarna de loutere herinnering volstaat om de fysieke gewaarwording weer op te roepen. Als de geur terugkeert, snuif je hem trager, zachter op, om ook het ijlste vleugje te kunnen ruiken. Een onverhoedse geurvlaag doet je duizelen, maar laat een hinderlijk gevoel van onvolledigheid, van onvoltooidheid achter. De ene keer is het een onaangename verstikking waarvan je je zou willen ontdoen om vrij te kunnen ademen, de andere keer een onverhoedse bedwelming die te vroeg is afgelopen omdat alleen de zinnelijke persoon is geraakt. Diep getroffen worden en elk besef kwijt zijn is geluk. Maar een hoekje bewustzijn over hebben dat altijd beseft wat er gebeurt, en dat door dat besef ook heel de intellectuele en verstandelijke persoon in staat stelt elk moment iets mee te krijgen van het geluk dat over je komt, een hoekje bewustzijn hebben dat traag het verloop van de vreugde inschat en haar volgt tot in haar verste uitlopers, is dat geen geluk? Er is een hoekje dat niet meetrilt, maar dat hoekje blijft getuige van de ondervonden vreugde. En juist dat hoekje bewaart de herinnering en kan zeggen: ik ben gelukkig geweest en ik weet waarom. Ik wil graag het hoofd verliezen, maar ik wil precies registreren wannéér ik het hoofd verlies en tijdens het wegvallen van het bewustzijn zoveel mogelijk aan de weet zien te komen. Je moet niet afwezig zijn in je eigen geluk.

Dat hoekje van mij heeft u beoordeeld, heeft u gewogen; en toen ik u beoordeelde en woog, zag ik uw zwaktes, uw tekortkomingen; maar wat deed het ertoe als ik toch bleef, als ik die tekortkomingen accepteerde, als ik ervan hield? O, manmens, je wilt altijd bewonderd worden. Jij oordeelt en weegt de vrouw die je liefhebt niet. Je bent er, je neemt haar; je grijpt je kans, zij lijkt zichzelf niet meer meester, lijkt elk besef te hebben verloren: je bent gelukkig. Ze heeft je toegeroepen: ik heb je lief, en jij bent tevreden. Je bent geen bruut: je bent aardig voor haar, je praat tegen haar, je maakt je bezorgd over haar; je troost haar met lieve woordjes, je sust haar. Maar je beoordeelt haar niet, want je vraagt haar gelukkig te zijn door jou en tegen je te zeggen dat ze gelukkig is door jou. Maar als je merkt dat er twee ogen naar je kijken, die vervolgens glimlachen, kom je in opstand. Je hebt het gevoel dat je ‘gezien’ bent en je wilt niet worden gezien: je wilt uitsluitend ‘zijn’. Ongerust vraag je: ‘Waar denk je aan?’

Ik denk aan jou. Je hebt een bepaald lachje met je keel en je tanden waar ik niet van houd. Je ogen gaan een beetje dicht, alsof ze de geest van je gespreksgenoot willen binnendringen en hem willen laten zien dat je hem helemaal door hebt. Je lippen krullen een beetje om en er verschijnen zwarte tanden, terwijl heel je hoofd naar voren komt. Die houding neem je aan als je een ingenieuze theorie uitlegt die je net hebt verzonnen of als je hebt ontdekt hoe je iets waarvan we allemaal meenden dat het een edele gedachte was, kunt herleiden tot een kleingeestig sentiment. Je lijkt op een kleinhandelaar die niet met zich wil laten sollen. Ik vind het gênant als je zo doet: je verlaagt je erdoor. Maar laat niemand dat trekje opmerken en er iets van zeggen: dan zou ik heel giftig worden. Je hebt soms vreemde ideeën op terreinen waarop je naar eigen zeggen een volstrekte leek bent. Je kraakt een schilderij, een muziekstuk of een gedicht af met de woorden: dat stelt niets voor. Daarmee lijk je je evenwicht te willen terugvinden, dat je dreigde kwijt te raken door iets wat je te boven ging; en je bent zo bang voor snobisme, dat je de schoonheid ontkent die je hebt ervaren. Ik weet het en houd er niet van. Maar als anderen jouw smaak en intelligentie ook maar enigszins in twijfel zouden trekken, zou ik tegen ze uitvallen alsof ze me persoonlijk hadden beledigd. Je bent een beetje een fat, je werpt stiekem een voldane blik in een spiegel, je recht je rug als je langs een vrouw loopt en kijkt haar aan zonder je quasi-onverschillige houding los te laten; als ze terug heeft gekeken, moet ze je wel aantrekkelijk hebben gevonden. Als iemand je over een vrouw vertelt, val je onmiddellijk in met: ‘Is ze knap?’ Je bent in je element en ik heb de neiging een spottende glimlach op te zetten. Maar laat niemand zeggen dat je een charmeur bent: jouw zwakheden zijn van mij. Ik heb ze beetje bij beetje ontdekt door je onafgebroken te bestuderen. Ik lijd eronder dat je die trekjes hebt, maar ik zou niet willen dat je veranderde. Soms begin ik er met een glimlach over. Ik wil je niet kwetsen en je ook geen adviezen geven. Ik wil dat je weet wat ik weet; en ik zou het fijn vinden als je niet probeerde je anders voor te doen dan je bent, maar me in plaats daarvan al je lelijke kanten liet zien. Ik zou ervan houden, want ze zouden helemaal van mij zijn. Niemand anders zou ze kennen, en langs die weg zouden we elkaar vinden buiten de wereld. Niets levert een sterkere band op dan zwakheden en gebreken: daarlangs dring je door tot de ziel van de persoon die je liefhebt, een ziel die voortdurend aan het zicht wordt onttrokken door de wens er net zo uit te zien als iedereen. Het is als met een gezicht. Anderen zien alleen een gezicht, maar zelf weet je precies waar de curve van de neus haast onmerkbaar afwijkt van de ideale lijn en een doodgewone neus oplevert; je weet dat de structuur van de huid van dichtbij grof is en vol zwarte puntjes zit; je hebt het vlekje in de ogen gevonden waar de blik af en toe door wordt gedoofd, en de millimeter die de lip te veel heeft om gedistingeerd te zijn. Meer dan alles wat perfect is roepen die kleine onregelmatigheden de lust om ze te kussen op, omdat ze het ook niet kunnen helpen en omdat ze maken dat dit gezicht niet dat van iemand anders is.

Klaag niet dat ik je beoordeel en weeg: ik ken je beter en heb je er niet minder lief om. Niet mij ontbrak het aan geluk, maar u. U had die zin in uw brief moeten omdraaien en moeten zeggen: ‘U weet best dat u me niet gelukkig kon maken, omdat u zelfs op de ogenblikken dat we elkaar het naast waren, een hoekje voor uzelf hield… dat niet meetrilde… dat me beoordeelde.’

Trouwens, wie beoordeelde ik, u of mezelf? U weet best dat ik altijd mijn eigen leven gadesla, dat ik met mezelf spot, dat ik mezelf afkam, dat ik lach om mijn eigen vlagen van enthousiasme, dat ik mezelf alle zelfvertrouwen ontneem. Daarom had ik ook geen vertrouwen in u. Ondanks al uw liefde voelde ik me niet zeker. U had veel vriendinnen, die misgunde ik u niet; ik had gewild dat u me over hen vertelde, om te weten wat u naar hen toe trok, bij mij vandaan. Maar u liet er weinig over los. Ik dacht dat u niet van me hield en durfde u niets te vragen, terwijl ik het zo graag wilde weten. Een blik, een woord, een stilte maakt me al ongerust… maar ik zeg: ‘U bent vrij’, want ik wil een geliefde niet dwingen te blijven, terwijl ik toch wil dat hij blijft. Alleen begrijp ik zo goed dat hij me niet meer liefheeft, dat elke poging om terug te vechten en hem tegen te houden me dwaas lijkt. Die poging zou zo zinloos zijn dat ik mezelf uitlach bij de minste neiging om te protesteren: ‘Jij jaloers? Welnee, dat is niets voor jou: zeg maar niets. Het zou je hooguit een glimlach opleveren, een paar pijnlijke sussende woorden… En hij zou gewoon weggaan, net zo snel, niet sneller… Daarom: u bent vrij.’

Ik probeerde buiten u een klein houvast te bewaren, om me aan beet te grijpen op de dag dat u niet meer van me zou houden. Dat kleine houvast was niet iemand anders, het was geen droom, ook geen beeld. Het was wat u mijn egoïsme en mijn trots noemde; ikzelf was het waarop ik in mijn leed wilde kunnen terugvallen. Ik wilde me aan mezelf kunnen vastklampen, helemaal alleen met mijn pijn, mijn twijfels, mijn gebrek aan vertrouwen. In tijden van ontreddering geeft het feit dat ik mezelf kan voelen me de kracht om door te gaan. Als alles verandert, als alles pijn doet, ben ik mezelf bij mezelf. Ik had alleen ten onder kunnen gaan als ik er zeker van was geweest dat ik mezelf niet meer nodig zou hebben.

[Marcelle Sauvageot, Commentaar (oorspr. Commentaire, 1933; later heruitgegeven als Laissez-moi), vertaling Martin de Haan. Voetnoot, Perlouses 13, 2007. Lees ook het nawoord van Rokus Hofstede.]

Print Friendly, PDF & Email