De zichtbare vertaler 7: Het vuur van de onderscheidingsdrang

Eind vorig jaar kocht ik een cd: een nieuwe, in de vakpers zeer enthousiast ontvangen opname van Albéniz’ Iberia. Van de pianiste, Joyce Hatto, had ik nog nooit gehoord, maar daarvoor hoefde ik me blijkbaar niet te schamen, want volgens een quote van een bekende muziekcriticus was ze ‘the greatest living pianist that almost no one has ever heard of’. Ruim honderd cd’s had ze inmiddels op haar naam staan, die gezien de laaiende recensies bijna allemaal van zeer hoog niveau waren. Reden genoeg om nieuwsgierig te zijn.

De uitvoering bleek inderdaad mooi, maar de opname klonk vreemd: alsof al het geluid in het linkerkanaal was gepropt. Had ik toevallig een slecht exemplaar te pakken? Gelukkig bleek William Barrington-Coupe, de baas van de eenmans-platenfirma en (zo bleek) weduwnaar van de inmiddels gestorven pianiste, de kwaadste niet. Ik mocht mijn cd opsturen, hij zou ernaar luisteren en mijn klacht beoordelen. De Steinway waarmee de opname was gemaakt stond nu bij hem thuis, dus zelfs de klank van het instrument kon in de vergelijking worden meegenomen.

Zo gezegd, zo gedaan. William (we noemden elkaar al bij de voornaam) mailde me dat hij de cd had ontvangen en ernaar had geluisterd. Hij had zelfs delen van Iberia kunnen meespelen, en was ‘surprised really at how true the recording was to the sound of her piano’. Maar inmiddels had hij dezelfde klacht ook van iemand anders gehad, en dus zou hij in de studio nog eens goed naar de mastertapes gaan luisteren. ‘I have no reason to be anything other than honest about this.’

Waarom dit hele verhaal? Omdat, toen ik een paar weken later nog niets had vernomen en dus nog maar eens wat ging googlen op Joyce Hatto, in de tussentijd de hel bleek losgebarsten: ‘Hattogate’ was een feit, Barrington-Coupe ontmaskerd als meestervervalser. De sympathieke platenbaas had bestaande (veelal onbekende, soms zelfs bekende) opnamen van anderen digitaal bewerkt en uitgebracht onder de naam van zijn vrouw, die aan kanker leed en haar instrument fysiek niet meer aankon. Hoogstwaarschijnlijk was die lange reeks cd’s bedoeld als een eerbetoon aan de grote pianiste die Hatto ooit was, of zelfs als een poging tot reconstructie van haar (hypothetische) interpretaties. Arme William.

Een van de misbruikte pianisten verklaarde liever te worden beroofd van zijn geld dan van zijn werk. Misschien is dat wel de ware les van deze hele affaire: eigendom van een geestesproduct weegt veel zwaarder dan eigendom van materiële zaken. Barrington-Coupe heeft waarschijnlijk veel geld moeten toeleggen op zijn vervalsingen, maar dat maakt de algemene verontwaardiging er niet minder om.

Het zet me aan het denken over mijn eigen vak, het vertalen. Wij vertalers benadrukken graag (net als musici) dat we niet meer zijn dan een medium dat een tekst in een andere taal tot spreken brengt. Maar hoe zouden wij reageren als iemand onze tekst had gestolen, bewerkt en uitgebracht onder een andere naam? We zouden de vonk van onderscheidingsdrang die in het vermeend neutrale medium huist, laten ontbranden tot een ziedend vuur. En terecht.

Van Iberia, prachtig gespeeld door Jean-François Heisser, had ik gelukkig wel een kopie gemaakt.

[VvL.nu 3 (voorjaar 2007), © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email