Hooglied op de dood

“Ik hou van je, vroeger, nu en altijd, en altijd zal nu zijn”, zei ze. Maar als ik die nacht in de Ritz nu eens twee voortanden had gemist, twee miserabele botjes, zou ze daar dan ook zijn, onder me, in religieuze vervoering? Twee botjes van elk drie gram, dus zes gram. Haar liefde weegt zes gram, dacht hij, over haar heen gebogen en haar betastend, haar aanbiddend.

Albert Cohens onlangs heruitgegeven roman De uitverkorene van de heer – de vertaling van Belle du seigneur – is een ‘overrompelend liefdesverhaal’, meldt het omslag. Overrompelend is de liefde in elk geval voor Cohens personages. Solal, een hoge ambtenaar bij de Volkenbond in Genève aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, verleidt op spectaculaire wijze Ariane, een verarmde aristocrate uit een protestants Geneefs geslacht, die ongelukkig getrouwd is met een van Solals ondergeschikten, Adrien Deume. Ariane wordt het ‘liefje van de heer’; Cohens roman ontvouwt zich als een caleidoscoop van alle gemeenplaatsen, alle klassieke figuren van de amour passion.

Allereerst is er de lofzang op de extase – de lyrische passages in De uitverkorene van de heer zijn hoogtepunten van passioneel proza, niet voor niets is het Bijbelse Hooglied een van Cohens terugkerende verwijzingen. Maar even genadeloos zoomt Cohen in op het theatrale narcisme van zijn geliefden, op hun permanente ‘bavianengedrag’, op de ontwrichting die voortvloeit uit hun jacht naar erotische versmelting, uit hun jaloezie. De amoureuze overgave wijst bij Cohen steeds vooruit naar de onleefbaarheid van alomvattende, exclusieve passie.

Want meer nog dan een liefdesroman is De uitverkorene van de heer een doodsroman. De dood is Cohens leidmotief, waarnaar een hele reeks kleinere motieven verwijzen: de voortanden als sine qua non van de liefde, de zich tegen elkaar aanschurkende geraamtes van de minnaars, het wenkende perspectief van de kist waarin ze tot ontbinding zullen overgaan, de terugkerende aanduiding van anonieme voorbijgangers als ‘toekomstige lijken’, het meer van Genève dat de dood van de protagonisten overleeft. Evenmin ontbreekt de geijkte associatie van orgasme en doodsstrijd (‘hij vallend door zwarte hemelen, alleen, alleen, en de dood die in zijn botten huiverde, en het leven dat eindelijk in gutsen opsprong, triomferende snik, zijn leven, ontsnappend in een heerlijke dood’ […] ‘o haar lang aanhoudend en speekselrijk gereutel, hetzelfde als in het uur van haar zekere dood, o haar stervende glimlach, haar bleke gezicht verlicht door de maan’). Niet toevallig plegen de drie hoofdpersonen zelfmoord.

Hoewel publicatie pas in 1968 plaatsvond zijn de eerste aanzetten voor Belle du Seigneur in de jaren ’30 geschreven. Alles in de roman ademt het interbellum: de gedetailleerde beschrijving van verdwenen burgerlijke rituelen, de nostalgisch-aristocratische setting (Genève, Spa, de Rivièra), maar vooral de archaïsch aandoende man-vrouwverhoudingen, waarin romantische verering en misogyne verachting van de vrouw perfect blijken samen te gaan. De auteur lijkt zich te hebben opgesplitst in zijn twee mannelijke personages: hij is zowel de prinselijke Solal als de kleinburgerlijke Deume. Beide mannen zijn ijdel, maar alleen de wreed-knappe Solal krijgt het gelijk van de spiegel, hij wordt steevast beschreven als geboren gebieder, toonbeeld van mannelijkheid, superieure geest en levenskunstenaar. De verwijfde Deume daarentegen is een zielige opportunist, hij heeft alle benepen trekjes waar Solal boven staat, en hij schrijft, een roman: over Don Juan.

Albert Cohen (1895-1981), van Grieks-Joodse afkomst maar op zeer jonge leeftijd naar Frankrijk geëmigreerd, maakte carrière bij de Volkenbond, waaraan hij zijn hele leven verbonden bleef. Hij was het prototype van de dilettant-schrijver, zijn oeuvre kwam tot stand in de luwte van literaire scholen en coterieën; de afstand van De uitverkorene van de heer tot de in de jaren ’60 dominante nouveau roman kan haast niet groter zijn. Maar terwijl het werk van nouveau romanciers als Robbe-Grillet, Butor of Sarraute gestaag in de vergetelheid raakt, blijkt dat van Cohen opmerkelijk tijdloos. Van Belle du Seigneur is in Frankrijk in de loop der jaren meer dan een miljoen exemplaren verkocht, en met zijn postume bijzetting in het heiligdom van de Pléiadereeks geldt Cohen definitief als canoniek twintigste-eeuws auteur.

Uitgeverij Manteau publiceerde in de jaren ’80 drie titels van Cohen – gedurfde uitgaven, want de Duitse en Engelse vertalingen van Belle du seigneur zagen pas jaren later het licht en Cohen was in onze contreien een illustere onbekende. Dat Uitgeverij Van Gennep dit jaar heeft besloten tot heruitgave van die drie titels – De uitverkorene van de heer, Het boek van mijn moeder en Solal – mag zeker ook gedurfd heten, al zijn die laatste twee tot op zekere hoogte voetnoten bij Cohens meesterwerk. In elk geval wordt het besluit om Cohen te herintroduceren gerechtvaardigd door de gedreven, nog altijd zeer genietbare vertalingen van Paul Syrier. En ongetwijfeld heeft ook de recente verfilming van Belle du seigneur, met Jonathan Rhys Meyers, notoire drinkebroer en Hugo Boss-icoon, in de rol van Solal, daarbij meegewogen (de film is wegens distributieproblemen nog niet in roulatie gebracht).

Veel bleef hier onbesproken – het opkomende nationaal-socialisme dat de achtergrond van Cohens roman vormt, zijn uitweidingen over ‘Gods uitverkoren volk’, zijn talent voor slapstick en satire, zijn vrijmoedige gebruik van literaire technieken als de monologue intérieur. Maar dat De uitverkorene van de heer terecht als klassieker geldt is hopelijk wel duidelijk geworden. Klassiek is datgene wat de tand des tijds doorstaat, waaraan, zoals het woordenboek zegt, ‘blijvend gezag’ wordt toegekend. Neem liefde en dood, geheide, niet kapot te krijgen thema’s, en schrijf erover zoals nog nooit iemand heeft gedaan.

  • Albert Cohen, De uitverkorene van de heer, vertaald uit het Frans door Paul Syrier, Van Gennep, 2012 (Manteau, 1985).

[De Leeswolf, 2012:8, © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email