Marguerite Duras, Nachtschip Night (fragment)

– Ik had je gezegd waar ze was, tussen twee zalen, de laatste van dat gigantische museum, vlak voor de zaal met de koperen paardenkarkassen die ze in 1960 hebben gevonden in de haven van Piraeus.
    Wat me zo in haar trof, geloof ik, was de wond in het gezicht. Die wond contrasteerde met de blik… die gaaf was, zie je… Ik weet het niet zo goed meer…

Ik heb heel lang naar haar staan kijken.

Heb je haar niet gevonden in het museum?

– Nee.

– Haar naam staat erbij.

– Athene.

– Ja, precies…

Haar linker gezichtshelft moet zijn weggerukt door een ploegschaar of zoiets, door ijzer, maar haar ogen zijn ongeschonden… witte amandelen zonder enig reliëf…

Bestaat er geen enkele reproductie van?

– Geen enkele.

– Het hoofd is erg klein, het zou zo in de hand passen. Een kinderhoofd, had ik je gezegd.
Ze staat op een lage zuil, verloren tussen de grote stèles, de hele santenkraam van de laatste zalen.
    Let wel, het is mogelijk dat de museum-autoriteiten haar juist door die wond als onbelangrijk beschouwden en haar daarom hebben verplaatst naar de depots op de kelderverdieping.

Maar wat me verbaast is dat dat zou zijn gebeurd tussen mijn bezoek en het jouwe, dus op dezelfde dag…

– Waarom niet?

– Inderdaad… Waarom niet…

– De wond in het gezicht is verschrikkelijk. Het komt vast vooral daardoor dat die blik zo doordringend is.

– Die blik richt zich op jou…

– Ja, precies, het is een blik die je aankijkt… hij richt zich op degene die kijkt maar gaat ook dwars door hem heen… en nog veel verder weg… hij reikt voorbij het einde, tot in die verre verten… zie je… je kunt niet… je weet niet hoe je ze moet noemen… ze zijn eigen aan de hele geschiedenis…

– Ik zie het zonder het te zien.

– Ja, precies.

– De volgende dag zijn we weggegaan uit Athene, en daarna is er niets meer gebeurd.
Niets meer.
Behalve, altijd, overal, dat schreeuwen.
Datzelfde ontberen van liefde.

[Marguerite Duras, Nachtschip Night, (Fr. Le navire Night, Mercure de France 1979), vertaling Rokus Hofstede, nawoord Jan Pieter van der Sterre, Voetnoot, Perlouses 14, Voetnoot 2007.]

Print Friendly, PDF & Email