Riskante relaties: Adriaan Morriën

De Telegraaf, 2 februari 1962

Over Adriaan Morriën (1912–2002) niets dan goeds. Voorvechter van vertalersrechten, mede-oprichter van het Fonds voor de Letteren, docent/goeroe aan het roemruchte Instituut voor Vertaalkunde aan de Universiteit van Amsterdam, medeontdekker van schrijvers als W.F. Hermans, Gerard Reve en Harry Mulisch, auteur van een dertigtal boeken, en natuurlijk vertaler van met name drie klinkende titels: Het verhaal van O van Pauline Réage, De vreemdeling van Albert Camus en Gevaarlijk spel met de liefde van Pierre Choderlos de Laclos. Hij ontving in 1962 de Martinus Nijhoffprijs.

Na de versie van Morriën uit 1954 zijn er nog twee andere vertalingen van Les Liaisons dangereuses verschenen, respectievelijk van de hand van Renée de Jong-Belinfante (Gevaarlijke liefde, 1966) en Frans van Oldenburg Ermke (Gevaarlijke hartstochten, 1972), maar de tekst van Morriën is altijd als de standaardvertaling blijven gelden, misschien wel gewoon omdat zijn uitgever(s) een actiever herdrukbeleid voerde(n). Voor een klassieker van deze statuur is het eigenlijk wonderbaarlijk dat er pas in 2017 weer een nieuwe vertaling verschijnt. Morriën is in 2002 nog als paperback herdrukt door De Arbeiderspers, in 2004 als Rainbow Pocket, in 2005 in de reeks Verboden Boeken van Het Parool, en zelfs nog in 2012 in een gelijknamige reeks van de Volkskrant.

Er wordt vaak gezegd dat vertalingen verouderen. Dat is tot op zekere hoogte waar: ook originelen verouderen, en minder mensen lezen tegenwoordig Couperus dan Arnon Grunberg. Vertalingen hebben als groot voordeel dat je er meer tegelijk of na elkaar kunt hebben, vandaar dat elke nieuwe generatie buitenlandse lezers weer haar eigen versie van klassiekers als Les Liaisons dangereuses kan voortbrengen (in tegenstelling tot die arme Fransen die het altijd maar met hetzelfde, steeds oudere boek moeten doen). Waarbij er overigens allerminst sprake hoeft te zijn van een lineaire ontwikkeling, want Renée de Jong-Belinfante klinkt twaalf jaar na Morriën veel oubolliger.

Maar toen ik in 2005, na het voltooien van Diderots Jacques de fatalist en zijn meester, voor het eerst begon te lobbyen voor een nieuwe vertaling van de Liaisons, dacht ik helemaal niet in termen als ‘oud’ of  ‘modern’. Ik hield van dat boek en ging er een beetje naïef van uit dat mijn Diderot-aanpak – meer vertaalvrijheid nemen om dichter bij het origineel te kunnen komen, zowel qua woordbetekenis als qua toon – vanzelf wel een volwaardige nieuwe uitvoering zou opleveren; de twee romans dateren tenslotte uit precies dezelfde tijd. Mijn plan ging niet door omdat Laclos door Athenaeum-Polak & Van Gennep al was toegezegd aan Casanova-vertaler Theo Kars, en gelukkig maar, denk ik nu, want het vernuftige stilistisch realisme van Les Liaisons dangereuses staat echt mijlenver af van de postmodern ogende lichtheid van Jacques. Ik weet niet of ik het zonder acht jaar Proust-ervaring wel zou hebben klaargespeeld.

Theo Kars (links) en Adriaan Morriën (met zwarte bril) op het Boekenbal van 1972. Foto Rob Mieremet (ANEFO) (GaHetNa (Nationaal Archief NL)) [CC BY-SA 3.0], via Wikimedia Commons
In 2013 was het wel raak. Theo Kars had nog altijd niets met Laclos gedaan, en om twee uur ‘s nachts deed ik vanuit het vertalershuis Looren in een opwelling een voorstel aan Peter Nijssen van De Arbeiderspers – de uitgeverij van ‘mijn’ Houellebecq, en ook van Morriëns Laclos. Binnen vijf minuten kreeg ik antwoord: ja, doen we! Het hoofdargument luidde inderdaad dat Morriëns vertaling al hoogbejaard was, maar geen van beiden beseften we op dat moment dat de zaak eigenlijk veel subtieler ligt. Ik ben na het voltooien van mijn eigen vertaling namelijk geneigd te denken dat Morriën nog altijd redelijk bij de tijd klinkt, maar dat hij erg vaak de plank misslaat, niet alleen in betekenisvolle details (zoals de volstrekt onjuiste benaming ‘losbol’ voor een methodische libertijn als Valmont) maar vooral in de algehele aanpak – die door de grove vervlakkingen inderdaad niet meer aan de hedendaagse standaarden voldoet. Maar hij heeft het boek dan ook in vier maanden vertaald, zonder werkbeurs van het Letterenfonds en zonder alle elektronische hulpmiddelen die ons tegenwoordig ter beschikking staan.

Voorbeelden heb ik niet stelselmatig genoteerd, maar ze liggen voor het oprapen. Brief 93, de pathetische chevalier Danceny aan zijn geliefde Cécile Volanges, in tien woorden: ‘Un seul regard, un seul mot et nous serons heureux.’ Morriën, in zesentwintig: ‘Als wij elkaar maar één keer in de ogen konden zien en slechts een enkel woord met elkaar konden spreken, dan zouden wij weer gelukkig zijn.’ (Ik vertaal: ‘Eén blik, één woord en we zullen gelukkig zijn’ – maar misschien zou ‘… en we zijn gelukkig’ zelfs nog beter zijn.) Zelfde brief, een paar zinnen verder: ‘Je ne conserve d’existence que pour souffrir et vous aimer.’ Morriën, parafraserend en met een rare paradox: ‘Mijn leven is mij tot een last en toch kan ik niet ophouden met van jou te houden.’ (Ik: ‘Mijn leven dient alleen nog om te lijden en van jou te houden.’) Nog een zin verder: ‘Vous seule avez le droit de me la rendre chère.’ Morriën, met een even onnodige als lelijke toevoeging: ‘Jij alleen kan mijn leven mooier maken en het weer waard maken geleefd te worden.’ (Ik: ‘Alleen jou is het gegeven om dat leven weer waardevol te maken.’) Het lijken misschien kleine dingen, maar het aantal toevoegingen, ombuigingen en weglatingen van betekeniselementjes loopt algauw in de duizenden. Dat kan tegenwoordig echt niet meer. Waarbij ik het nog niet eens heb over de toon en de registers (waarover later meer).

Met dit alles wil ik absoluut niet beweren dat Morriën er niets van bakt en dat ik het zelf allemaal veel beter kan. Sterker nog, ik zou juist willen stellen dat ik dit zonder Morriën nooit had kunnen doen. Niet alleen omdat hij de weg heeft gebaand met een vertaling die naar de normen van zijn tijd meer dan voortreffelijk was (zoals de recensies en zijn Nijhoffprijs bewijzen), maar vooral ook omdat de veel hogere eisen die wij inmiddels aan literaire vertalingen stellen voor een heel groot deel op zijn conto mogen worden geschreven. Niet alleen hamerde hij op nauwkeurigheid, uitputtende kennis van doel- én brontaal en het grote belang van naslagwerken, hij heeft door zijn niet aflatende strijd voor grotere culturele zichtbaarheid en billijke honorering van literaire vertalers ook een enorme klimaatverandering op gang helpen brengen – al is het einde van onze hongerspelen nog lang niet in zicht, maar dat is een ander verhaal.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *