Van scalpel naar blokkendoos

Twee dunne boekjes, en de recensent die wanhopig probeert in het recentste van de twee de stem terug te vinden die hem in het eerste boekje zo had getroffen. Twee dunne boekjes met korte, krachtige titels: De dag van de hond en De beer. De schrijfster is een Franstalige Belg, en haar naam zal in Nederland bij vrijwel niemand een belletje doen rinkelen: Caroline Lamarche. Toch besteedde het tijdschrift Armada in juni 1998 al uitgebreid aandacht aan haar werk, en in de Franse Bibliotheek van Van Oorschot verscheen enkele maanden geleden een vertaling van De dag van de hond. Maar die verdween vrijwel onopgemerkt onder de stapels met nóg nieuwere uitgaven, zelfs in België.

En nu is er dus L’Ours (De beer), de opvolger van De dag van de hond, en een nieuwe kans voor de recensent om zijn bewondering voor het werk van Caroline Lamarche uit te spreken. Althans, dat was oorspronkelijk de bedoeling, want van de krachtige, unieke schrijversstem die de zes monologen van De dag van de hond ondanks hun enorme verschillen in toon en sfeer bijeenhield, valt in L’Ours nauwelijks meer een spoor te bekennen. Het lijkt wel alsof de schrijfster haar verhuizing naar een andere uitgever (ze ging van het ‘jonge’ Minuit naar het ‘oude’ Gallimard) heeft aangegrepen voor een totale metamorfose: van ontleedmes naar blokkendoos, een beetje cru samengevat.

De dag van de hond is het verhaal van zes mensen die één ding gemeenschappelijk hebben: ze bevonden zich allemaal op de snelweg toen daar een hond over de middenberm rende, en ze zijn allemaal gestopt. Er is een vrachtwagenchauffeur die ingezonden brieven aan tijdschriften schrijft, een dik meisje dat alleen maar aan afslanken denkt, een verliefde maar kuise pastoor, een zweverige weduwe (de moeder van het dikke meisje), een vrouw die op weg is om haar geliefde zijn congé te geven en een fietsende homoseksueel die zijn baan net kwijt is. In elk van de zes hoofdstukken volgen we de gedachten van één van hen, waarin voortdurend het beeld van de rennende hond opduikt, als een spiegel die de personages zichzelf voorhouden.

De benadering van Caroline Lamarche is wel ‘psychologisch realisme’ genoemd. Die term is een beetje misleidend. Weliswaar kruipt ze in de huid van haar personages en probeert de kern van hun persoonlijkheid aan het licht te brengen, datgene wat ieder van hen maakt tot de persoon die hij is; maar het uitgangspunt daarbij is niet zozeer de psyche als wel de manier waarop het personage in de wereld staat, de concrete situatie waarmee zijn ‘ik’ onlosmakelijk verbonden is. Als er dan toch een moeilijke naam aan moet worden gegeven, zou de term ‘existentiële analyse’ een stuk dichter in de buurt komen.

Maar ook om een andere reden kan De dag van de hond moeilijk realistisch worden genoemd. We volgen de gedachten van de personages op de voet, dat is waar, en ze hebben allemaal een stijl die bij hen past en die hen typeert, maar toch klinkt in alle monologen nog een andere stem mee: de stem van de degene die dit allemaal optekent, en die hen in zekere zin beter kent en begrijpt dan ze zichzelf kennen en begrijpen. Daarom zijn deze zes geen ‘mensen van vlees en bloed’ maar personages, dat wil zeggen verzonnen mensen, mogelijkheden die ons inzicht bieden in de wereld waarin we zelf leven.

Vertaler Rokus Hofstede voelt dat heel goed aan. In zijn vertaling stemt hij de specifieke woordkeuze en zinsbouw van de afzonderlijke personages niet zozeer af op de ‘natuurlijke’ manier van spreken die je van hen zou mogen verwachten, als wel op het totaalbeeld dat we via hun monoloog van hen krijgen. Als lezer zien we de personages tegelijkertijd van binnenuit en van buitenaf, en die dubbelheid komt in de vertaling alleen nog maar sterker tot uiting. Vooral in het hoofdstuk van de pastoor zet Hofstede fors in, met archaïsmen als ‘bete broods’, ‘smarten’, ‘neerzitten’, ‘niet aflatend’ enzovoort. Geen mens zou dergelijke woorden spontaan gebruiken, maar ze passen goed in het beeld van een pastoor die worstelt met de overgeleverde waarheid die hij geacht wordt uit te dragen.

Ook in L’Ours is een van de hoofdpersonen een pastoor die worstelt met zichzelf en zijn opdracht. Het grote verschil met De dag van de hond is dat die worsteling zich achter een vrijwel ondoorzichtig gordijn afspeelt, omdat het hele verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van één ik-persoon, een schrijfster die na een onstuimig liefdesleven besluit kuis te worden om zich aan haar oeuvre te wijden. Maar ook die schrijfster leren we eigenlijk nauwelijks kennen: Lamarche heeft er ditmaal voor gekozen om ons niet méér, maar juist mínder te laten zien dan de personages zelf zien.

Zoiets hoeft niet bij voorbaat slecht uit te pakken, maar in dit geval is het resultaat nogal pover. De bedoeling is blijkbaar dat L’Ours door middel van suggestie allerlei essentiële maar onuitsprekelijke kwesties aan de orde moet stellen, maar in de praktijk wil de roman geen moment de diepgang bereiken die hij voortdurend lijkt te beloven. Misschien komt dat wel doordat alles er zo duimendik bovenop ligt, en met name het alomtegenwoordige incestmotief, waar zowel de onmogelijke relatie tussen de pastoor (de ‘vader’) en de ik-persoon (de ‘dochter’) als het bijverhaal over haar kinderverliefdheid voor een Spaanse berggids van doortrokken zijn.

Eigenlijk doet Lamarche in L’Ours precies datgene wat ze in De dag van de hond zo goed wist te vermijden: de personages lijken te zijn opgehangen aan een vooropgezette symboliek, het zijn een soort prefab karakters die zijn uitgezocht op hun bruikbaarheid voor het abstracte idee. Waarom is de pastoor bezeten van literatuur? Omdat hij dan contact kan zoeken met de ik-persoon, de schrijfster. Waarom is die ik-persoon schrijfster? Omdat ze dan kan besluiten kuis te worden, zich volledig aan haar oeuvre te wijden en ongestoord te gaan zitten schrijven in de rustige omgeving van een kleine dorpsparochie.

Ja, misschien is dat wel wat me het meeste stoort aan deze roman: er is een schrijfster die over zichzelf vertelt, maar uit niets blijkt wat haar bezielt, wat haar drijft als kunstenaar en als individu. Je zou bijna denken dat ze als kansarme huismoeder een stimuleringssubsidie van Rick van der Ploeg heeft gehad om te gaan schrijven.

Caroline Lamarche, waar is je scalpel gebleven?

  • Caroline Lamarche, De dag van de hond, vertaald door Rokus Hofstede. Van Oorschot, 2000.
  • Caroline Lamarche, L’Ours. Gallimard, 2000.

[de Volkskrant, 12 mei 2000, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email