De wereld is een perverse veelhoek

‘Eigenlijk ziet hij eruit alsof hij, ergens op een dorpskermis, zijn hoofd heeft gestoken in een gat van een decor waarop een naïeve voorstelling van een leeuwenjacht afgebeeld staat.’ Zo beschrijft Olivier Rolin de met een volle walrussensnor en brede bakkebaarden getooide leeuwenjager die in 1881 door Édouard Manet werd vereeuwigd onder de titel Monsieur Pertuiset, Le Chasseur de Lions. De avonturen van Eugène Pertuiset staan centraal in Rolins laatste, door Katelijne De Vuyst vertaalde roman De leeuwenjager en Manet. Zoveel is duidelijk, helemaal serieus kan Rolin het model niet nemen. Pertuiset heeft ‘het uitdrukkingsloze gezicht van een bruut – of het moet zijn dat het nogal primitieve gevoelens uitdrukt, met de onaangenaam verraste, vagelijk uitdagende blik, zo van “de eerste die in de buurt komt, knal ik neer”.’ Mij doet Pertuisets glazige gelaatsuitdrukking eerder denken aan die van een alcoholist – Rolin omschrijft Pertuiset ergens treffend als een ‘boertige kroegbaas’, de man stopt de hele roman door niet met drinken. Hoe dan ook schuilt er iets onweerstaanbaar koddigs in die jager die zich met zijn dubbelloops karabijn in de aanslag afwendt van zijn prooi, een nogal hobbezakkerige Koning der Dieren die half schuilgaat achter een boom. Het licht, dat opdoemt op de achtergrond van het tafereel, lijkt het model haast voorover uit het beeld te doen kukelen.

Un chasseur de lion luidt de Franse titel van Rolins roman, die in 2008 voor vier grote literaire prijzen in de running was en er verbazend genoeg geen heeft gewonnen. Rolin biedt in deze roman veel meer dan een half-fictionele reconstructie van het leven van avonturier Pertuiset, leeuwenjager, uitvinder, ontdekkingsreiziger, wapenhandelaar, ‘lummel’, ‘snoever’, ‘dikzak’. Pertuiset zou onherroepelijk in de vergeetput zijn beland als hij niet bevriend was geweest met Manet, over wie Rolin met dit boek een zijdelingse monografie schrijft – de tweeëndertig prachtige reproducties die (uitsluitend) de Nederlandse uitgave sieren vormen een ideale eerste kennismaking met Manets schilderkunstige werk. De Nederlandse titel, De leeuwenjager en Manet, is feitelijk dan ook een nauwkeuriger omschrijving van de roman dan die van het origineel. Nog nauwkeuriger zou De leeuwenjager, Manet en ik zijn geweest, want zoals in alle romans van Rolin voert de auteur zichzelf ten tonele, in de persoon van een globetrotter-schrijver die in melancholische terzijdes uitweidt over de teloorgang van zijn illusies en over zijn vergeefse pogingen om jonge vrouwen te imponeren.

Manet fungeert als alter ego van de schrijver, die zich identificeert met zijn politieke dilemma’s (rond het revolutionaire intermezzo van de Commune van Parijs en de Frans-Duitse oorlog), met zijn vergeefse liefde voor model en collega Berthe Morisot en met de last van zijn kunstenaarschap (‘Een oeuvre, wat daar voor doorgaat, is verstoffelijkte, verstarde tijd, die je bezwaart, die vastbindt als een sokkel.’). Pertuiset daarentegen blijft een marionet van de potsierlijke anekdotes die hij geacht wordt te hebben meegemaakt, Rolin gunt hem nauwelijks introspectie maar exploiteert vooral de kluchtige dimensie van deze schertsfiguur, een ‘mislukte, kolderieke en omvangrijke Kuifje’ met een ‘onweerstaanbare neiging tot het pompeuze cliché’. Maar de auteur heeft meer gemeen met zijn personage dan op het eerste gezicht lijkt. Met Pertuiset deelt hij zijn reislust, zijn drankzucht, een fascinatie voor explosieven (die mag je tenminste aanwezig veronderstellen bij de voormalige leider van de gewapende tak van de Gauche Prolétarienne) en een fixatie op vrouwenborsten; hij schroomt niet zichzelf neer te zetten als een kluchtige don juan op leeftijd.

In het ruim vierhonderd schilderijen tellende oeuvre van Manet (1832-1883) is het portret van de leeuwenjager niet het bekendste, maar het is wel het eerste doek waarvoor hij een prijs kreeg: een ‘medaille tweede klas’ op de Salon van 1881, oftewel, schrijft Rolin, een ‘poedelprijs’. Manet was er blij mee, de medaille gaf hem het recht jaarlijks op de Salon officiel et annuel de Paris tentoon te stellen zonder afhankelijk te zijn van de jury die hem zo vaak had afgewezen. Zijn blijdschap bezorgt hem de spot van enkele van zijn voormalige pleitbezorgers: de schrijver Huysmans, die zich vrolijk maakt over de ‘kinderlijke pose’ van de ‘konijnenjager’, en collega-schilder Degas, die Manet na toekenning van de medaille toewerpt: ‘Ik weet al langer dan vandaag wat voor bourgeois u bent.’

Manet is de geschiedenis ingegaan als de nieuwlichter die door zijn heroïsche strijd tegen de esthetische oekazes van de academisten de ‘autonomie van het picturale’ heeft gevestigd en het ‘monopolie van wijdingsinstanties’ heeft doorbroken, om met Pierre Bourdieu te spreken. Net als Flaubert in de romankunst streefde hij naar een soort veralgemening van de revolutie van het realisme: niet wát maar hóe je schildert is voor hem het beslissende criterium, niet het onderwerp maar de vormbehandeling geeft de doorslag. Vernieuwend aan die vormbehandeling was bij Manet onder meer wat de Amerikaanse kunstcriticus Michael Field radical facingness noemde, de frontale poses van zijn modellen – zoals ook bij Pertuiset –, en zijn effectvolle behandeling van licht, dat niet zoals in de academische schilderkunst als uit schijnwerpers over het tableau lijkt te vloeien. Vandaag de dag geldt Manet als heraut van het modernisme, maar qua levensstijl was hij inderdaad eerder een ‘bourgeois’. ‘De journalisten die de krocht van de revolutionair bezoeken zijn teleurgesteld. Ze verwachten een woeste hut aan te treffen, een ruige provocateur, ze krijgen te maken meteen minzame, elegante man in een ietwat plechtstatige werkkamer met donkere houtsoorten. Ze begrijpen niet dat je tegelijk revolutionair en hoffelijk kunt zijn, en goedgekleed.’ Het verzet dat zijn schilderijen opriep zocht Manet niet op; het was niet zijn bedoeling om te choqueren, schrijft Rolin, ‘hij probeert alleen te schilderen wat hij ziet’. Zoals Charles Baudelaire vergeefse pogingen ondernam om een zetel in de Académie française te bemachtigen, zo snakte Manet, ondanks alle hoon waaraan zijn oeuvre blootstond – of juist vanwege die hoon – levenslang naar officiële erkenning. Zijn grootste wens was dat de nieuwe schilderkunst zou worden vertoond in de Salon, bolwerk van het academisme, oftewel van de schilderkunst die in de 19e eeuw hoogtij vierde op de Académie des Beaux-Arts de Paris, de conventionele, bombastische en vaak moralistische pompier-kunst van schilders als Cabanel, Bougereau en Gérôme.

De paradox van het begrip ‘revolutie’ is een van de leidmotieven van De leeuwenjager en Manet. Er is een wezenlijk verschil tussen de oorlogen van de kunst en een burgeroorlog: ‘De beledigingen uit Le Figaro zijn niet dodelijk, de vuursalvo’s van het executiepeloton wél.’ De kunst, een ‘samenzwering met jezelf alleen’, legt ‘geen dure eden af’, ‘doet geen beloften’. Manets niet-aflatende gevecht tegen domheid, conformisme en slechte smaak is niet in strijd met het feit dat hij zich in 1882 door zijn vriend Antonin Proust, minister van Schone Kunsten, laat decoreren met het Légion d’Honneur, de hoogste Franse nationale onderscheiding.

Meer nog dan in eerdere romans van Olivier Rolin zijn in De leeuwenjager en Manet dwarsverbanden aan te wijzen met het werk van generatiegenoot Pierre Michon. Net als Michon in Meesters en knechten of in De koning van het woud bedrijft Rolin een ‘zijdelingse’ schildersbiografie waarin hij focust op een bijfiguur, en net als Michon verkiest hij protagonisten die echt hebben bestaan (alleen al zo’n oubollige naam, Eugène Pertuiset, die verzin je niet) boven verzonnen personages. Er zijn ook verschillen: Michon heeft meer empathie voor zijn bijfiguren en minder feeling voor het burleske genre – sommige scènes in De leeuwenjager (Pertuiset die in een kunstenaarskroeg het brullen van de leeuw nabootst) zijn heuse slapstick. Maar wat Rolin en Michon bovenal delen is hun liefde voor stilistische zwier. In dat laatste opzicht is De leeuwenjager en Manet een van Rolins mooiste boeken, een toonbeeld van gerijpt schrijverschap. Weinigen beheersen zoals hij de esthetiek van de weemoed, weten zoals hij de treurnis van een kroeg in een Patagonische havenstad te beschrijven, met uitzicht op roestige vrachtschepen, waar de auteur wordt geplaagd door opspelende herinneringen aan een meisje dat hij daar vijfentwintig jaar eerder zag.

In De leeuwenjager en Manet laat Rolin op een humus van verloren illusies taalbloemen bloeien die even kleurrijk zijn als de schilderijen van Manet. Het levert indrukwekkende hoofdstukken op over Parijs in de sneeuw ten tijde van de Commune (‘Victor Hugo eet rattenvlees’), of over de executie van ex-communard Rossel (‘Een hond likt bloed’). Midden in de nacht staat Manet op om het lugubere schouwspel te gaan bekijken, niet uit bloeddorstige kijklust maar uit hartstochtelijke nieuwsgierigheid naar het reilen en zeilen van de wereld, ‘een perverse veelhoek, een woekerend en onbenullig schouwspel, een fontein van vormen en kleuren, waar schoonheid soms aan het lelijke ontspruit.’

  • Olivier Rolin, De leeuwenjager en Manet, vertaling en nawoord Katelijne De Vuyst, IJzer, 2011.

[De Leeswolf, 2012, nr. 3 / april, © Rokus Hofstede.]