Apologie van de vlijt

Vertalers zijn nederig. Vertalen is een dienende taak. Vertalingen verouderen sneller dan gewone literaire teksten. Vertalen is interpreteren. Vertalingen zijn vingeroefeningen voor eigen creatief letterkundig werk. Trouwe vertalingen zijn slaafs. Vrije vertalingen zijn vlak. Een vertaling is altijd minder dan het origineel.

De clichés liggen voor het grijpen wanneer het over vertalen gaat. Parate dooddoeners zijn veelvuldig te vinden bij luie critici, van het soort dat meent met een enkel terloops adjectief een vertaling afdoende te hebben gekwalificeerd.

Een oratio pro domo is niet wat ik ambieer, maar ik ontkom er niet aan hier iets over mijn wederwaardigheden als object van literatuurkritiek te vertellen. In oktober 2000 verscheen, in de Dada-reeks van Uitgeverij Vantilt, de Apologie van de luiheid, een poëtisch traktaat uit 1921 van de verfranste Vlaming Clément Pansaers, met een nawoord van Benjamin Hennot. In Nederland bleef de vertaling vrijwel onopgemerkt, in Vlaanderen echter viel over kritische aandacht niet te klagen.

Eric Min schreef in De Morgen een bevlogen stuk waarin hij een levendig portret schetst van de ‘harlekijn uit Neerwinden’. Hij citeert de vertaling uitvoerig en met kennelijke instemming (doch zonder vermelding van de vertaler). Dat Min het zaakje toch niet helemaal vertrouwt, blijkt uit de opmerking: ‘Het is doodjammer (en onbegrijpelijk) dat de Franse tekst in deze uitgave niet werd afgedrukt.’

Paul Verhuyck gaf in deze krant een welwillende bespreking waarin hij de bundel ‘intellectueel zeer stimulerend en deregulerend’ noemt, hoewel de poëzie van Pansaers ‘niet altijd onvergetelijk’ is. Over de vertaling is hij kort: ‘De vertaling ziet er goed uit, maar helaas heb ik de oorspronkelijke tekst er niet naast kunnen leggen.’

Vlaamse recensenten spreken een woordje Frans en dat willen ze weten. Het is evenwel niet zeker of een vergelijking met het Frans uitsluitsel zou hebben gegeven over de vraag of de vertaling ‘goed’ is. Een tekst kan een oneindig aantal vertalingen genereren, meer of minder ‘trouwe’ en ‘vrije’, met hun eigen kwaliteiten en zwaktes. De beslissende vraag is of de algemene stilistische kenmerken en procédés op een overtuigende manier zijn her-schapen, met andere woorden of, en hoe, de vertaling ‘werkt’ als autonome literaire tekst.

Dat is de vraag die Tom Van De Voorde in De Tijd trachtte te beantwoorden. Hij is de enige die de Apologie van de luiheid neemt voor wat het is – een vertaling, een afgeleide en tegelijk nieuwe gedaante van het origineel. In één moeite door laat hij zien dat vertaalkritiek de spanning tussen literatuur van herkomst en literatuur van aankomst voelbaar maakt, en zo op dat origineel een verrassend nieuw licht kan werpen. Pansaers’ luiheidsbegrip omschrijft hij als de ‘bastaardzoon van het burgerlijke ideaal’, maar hij noteert dat diens ‘ironische maskertjes’ en ‘retorische behendigheid’ de maatschappijkritische dimensie van de Apologie onduidelijk maken. En, vervolgt hij, die ideologische onduidelijkheid wordt gevoed door de ‘esthetiserende aanpak’ van de vertaler.

‘Hofstedes virtuositeit heeft op sommige plaatsen een omgekeerd effect. Het wordt een beetje geforceerd en daardoor behaagzuchtig naar de lezer toe. Hierdoor verliest Apologie van de luiheid misschien wel definitief zijn dissidente kracht. Dit esthetiseringsproces mag misschien het noodlot van nagenoeg alle avantgardistische bewegingen zijn, maar daarom hoef je er nog niet aan toe te geven.’

In hoofdstuk 4 van L’Apologie de la paresse spreekt de ik-figuur een cynische mecenas toe: ‘En une vaste bibliothèque – une riche collection / – tu distribues aux parasites des prébendes, des sinécures. / En ta cave, il y a beaucoup de caveaux! Aha! Oho!.’ De vertaling luidde: ‘In een ruime boekerij – een rijke verzameling – / deel je eregelden, luizenbaantjes uit aan de parasieten. / Er zijn veel knekelhuisjes in jouw catacomben! Rambam! Rombom!’. Van De Voorde merkt op dat ‘bibliothèque’ archaïserend is vertaald als ‘boekerij’. Hij had ook kunnen opmerken dat ‘des prébendes, des sinécures’ vervlakkend is vertaald als ‘eregelden, luizenbaantjes’.

Met één-op-één-vergelijkingen kun je alles bewijzen. Niet het woordelijke omzetten maar het tot leven wekken van een tekst moet de vertaler voor ogen staan. Bij Pansaers is het principe van de klankanalogie een scheppend beginsel, een procédé dat het schrijven voortstuwt. In bovenstaand citaat lukte het de vertaler duidelijk niet een even dicht net van fonetische betrekkingen te vlechten als in het Frans. Maar via het beproefde middel van de compensatie kan hij klankanalogieën – associaties, alliteraties, assonanties – elders in de tekst doen terugkeren. Vandaar, Tom, die ‘bonbonborsten’.

Van De Voordes centrale stelling – over de noodlottige esthetisering van avantgardistische bewegingen – zou weleens kunnen kloppen. Alleen ligt dat in dit geval eerder aan de historische afstand tot het origineel dan aan de vertaling. Zou minder vertaalvirtuositeit meer dissidente kracht hebben opgeleverd? De Apologie van de luiheid is dan geen onvergetelijke poëzie, het is wel een ludieke, luimige, provocatieve tekst. De hedendaagse lezer laat zich echter niet meer zo makkelijk provoceren. Hem rest ‘de libertaire fanfare van het tussenleven’.

Bij mijn toekomstige Pansaersvertalingen – Le Pan Pan au Cul du Nu Nègre (1920) en Bar Nicanor (1921) – zal ik mijn uitgever nederig vragen een verantwoording te mogen schrijven voor mijn vertaalkeuzes. In de hoop daarmee de luie recensenten te voorzien van kopij, en de vlijtige van kritische munitie.

[De Standaard, 8 november 2001, © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email