Slaapkamerverhalen

Suite in het Crystal van Olivier Rolin (1947) – overigens schitterend vertaald door Katelijne de Vuyst en Marij Elias – is een buitenissig literair object: een mozaïek van verhalen in de vorm van een verzameling uitputtend beschreven hotelkamers. Het wil de verwezenlijking zijn van een door Georges Perec (1936-1982) gepland maar onvoltooid gelaten project, Plaatsen waar ik geslapen heb. Perec heeft inderdaad herhaaldelijk gezinspeeld op het plan een inventaris te maken van al zijn nachtverblijven, en het meest uitvoerig in Ruimten rondom, waarvan onlangs een herziene, gecorrigeerde editie verscheen – overigens schitterend vertaald door Rokus Hofstede. Maar de geschiedenis van deze literaire afstamming is nog ingewikkelder, aangezien Perec zelf de bescherming van een andere grote schrijver inroept, Marcel Proust (1871-1922), en claimt dat Plaatsen waar ik geslapen heb niets anders is dan ‘een nauwgezette uitwerking van de paragrafen 6 en 7 van het eerste hoofdstuk van het eerste deel (‘Combray’) van de eerste band (De kant van Swann) van Op zoek naar de verloren tijd’. In die paragrafen lezen we hoe de herinnering aan slaapkamers uit het verleden, waar de verteller bij het ontwaken door wordt overvallen, het afwikkelen van de geheugenhaspel en daarmee het zoeken naar de verloren tijd in gang zet. Het opzetten van die openingsscène heeft Proust jaren gekost. De eerste schetsen dateren van najaar 1908, toen hij begon te werken aan een verhalend essay onder de titel Tegen Sainte-Beuve. Relaas van een ochtend. Eindeloos herschreef hij dezelfde scène van het ontwaken, die pas tussen 1910 en 1912 zijn definitieve vorm zou krijgen; op dat moment had hij het idee voor een verhalend essay opgegeven en stond de roman Op zoek naar de verloren tijd in de steigers. De verschijning van Tegen Sainte-Beuve, de oer-Recherche, is – overigens schitterend vertaald door Marjan Hof – in januari 2009 gepland bij Uitgeverij Athenaeum–Polak & Van Gennep.

Drie teksten waarin de beschrijving van kamers het uitgangspunt van de verteller vormt, drie nieuwe vertalingen, één literaire afstammingslijn. Reden genoeg om ons af te vragen hoe het precies zit met die slaapkamerverhalen van Proust, Perec en Rolin, en met hun ogenschijnlijke verwantschap.

In de vroegste schetsen uit Tegen Sainte-Beuve bevindt de lezer zich dadelijk op vertrouwd terrein. Op de eerste pagina van Prousts ‘Schetsen voor het voorwoord’ treedt een welbekend motief aan het licht: ‘[…] Ik doopte de toast in de thee, en op het moment dat ik hem in mijn mond nam en voelde hoe het van theesmaak doordrongen brood week werd tegen mijn gehemelte, werd ik overvallen door verwarring, door geuren van geraniums en oranjebloesems, door een gevoel van buitengewoon intens licht, van geluk; ik bleef roerloos zitten, bang dat ik door een enkele beweging tot stilstand zou brengen wat zich in mij voltrok en wat ik niet begreep, en klampte me nog altijd vast aan de smaak van dat weke brood, dat zoveel wonderen leek voort te brengen, toen eensklaps de wankel geworden scheidswanden van mijn geheugen bezweken […].’ Ziedaar de eerste formulering van de fameuze episode van de madeleine, zoals bekend de exemplarische verwoording van Prousts leidmotief, het ‘onvrijwillige geheugen’.

Opmerkelijk genoeg verwijst Perec in Ruimten rondom naar die episode wanneer hij zijn plannen voor een inventaris van slaapkamers uiteenzet. ‘Waarschijnlijk omdat een kamer bij mij net zo functioneert als een madeleine bij Proust, […] heb ik, sinds een flink aantal jaren alweer, een poging ondernomen om een zo uitputtend en zorgvuldig mogelijke inventaris op te maken van alle Plaatsen waar ik geslapen heb. […] De organische zekerheid van mijn lichaam in bed, de topografische zekerheid van het bed in de kamer volstaan om mijn geheugen te reactiveren, om het een scherpte, een nauwkeurigheid te geven die het anders vrijwel nooit heeft.’ Strikt genomen echter doet Proust iets totaal anders dan Perec. De wonderbaarlijke momenten waarop het verleden in al zijn luister herrijst vallen Prousts verteller te beurt als momenten van genade, sterker nog: het verstand is ten enenmale ongeschikt om die indrukken te doen herrijzen. Dat blijkt zonneklaar uit de passage van Tegen Sainte-Beuve waarin de gedesoriënteerde verteller zich bij het ontwaken een tijdlang in kamers uit het verleden waant: ‘De muren krimpen, mijn kamer draait een kwartslag, naast me bevinden zich andere kamers, nu in het hotel in Oostende, maar het geluid van de zee is niet te horen. Hé, daar daalt mijn kamer naar de begane grond, hij heeft geen tapijt meer, ziet uit over appelbomen in Bretagne, ik lig ziek op bed […] en een ogenblik lang draaien de vormen en de tijden nog om mijn verdoofde, uitgeputte lichaam heen […]’. Perecs geheugen daarentegen is bij uitstek ‘vrijwillig’. Hij doet er een systematisch beroep op en laat zich voorstaan op ‘een uitzonderlijk, zelfs vrij fenomenaal geheugen’ voor plaatsen waar hij geslapen heeft. ‘Ik hoef maar te gaan liggen, mijn ogen te sluiten en met een minimum aan concentratie aan een bepaalde plaats te denken om me haast onmiddellijk alle details van de kamer, de positie van de deuren en ramen, de plaats van de meubels weer voor de geest te halen, om, juister gezegd, de haast fysieke gewaarwording te krijgen dat ik opnieuw in die kamer lig.’

Maar met Perecs fenomenale geheugen is iets raars aan de hand. Hoewel hij Plaatsen waar ik geslapen heb niet heeft voltooid, heeft hij toch enkele kamers uitputtend beschreven; één zo’n proeve van beschrijving staat in Ruimten rondom. In 1954 verblijft de achttienjarige Perec tijdens de zomervakantie in Rock, Cornwall, om zijn Engels op te vijzelen. De beschrijving van zijn kamer aldaar bevat een aantal merkwaardige incongruenties: het bed wisselt tijdens de beschrijving van plaats, de deur bevindt zich eerst links en dan rechts, er staat een stoel aan de toch al overvolle linkerkant van het minuscule kamertje. En als Perec vanuit zijn bed de deurknop kan aanraken, waarom zet zijn hospita de kom morning tea dan ‘bij het voeteneind’? Het is niet nodig de nauwkeurigheid van Perecs geheugen te betwisten en te veronderstellen dat hij die incongruenties niet zou hebben opgemerkt; minstens even aannemelijk is de hypothese dat hij ze doelbewust in zijn beschrijving heeft ingebracht om de scherpzinnigheid van zijn lezer te prikkelen. Misschien wil hij domweg suggereren dat een perfect geheugen niet bestaat? In elk geval triggert de beschrijving van de kamer een hele reeks andere herinneringen – de dochter van een garenfabrikant die hij die zomer vergeefs het hof maakte, de pink gins die hij dronk, het besluit dat hij nam om schrijver te worden enzovoort.

Perecs herinnering aan de hardnekkige biterheid van die te sterke en te koude thee heeft in elk geval niet hetzelfde overweldigende visionaire effect als de gewaarwording van het van theesmaak doordrongen brood bij Proust. Hun verschillende manier om het geheugen aan te boren leidt tot een verschillende werkmethode. Proust herschrijft eindeloos dezelfde scènes en probeert zo zijn herinneringen steeds verder te stofferen en te schakeren, Perec werkt met een vooropgezet programma (doorgaans contrainte genoemd), dat vervolgens al dan niet concreet wordt ingevuld. Proust vertrekt vanuit het schrijfproces, Perec begint pas te schrijven als zijn programma vastligt. Zo vraagt die laatste zich in Ruimten rondom af welke ordening die hij zijn Plaatsen waar ik geslapen heb zal geven: chronologisch, alfabetisch, naar geografische ligging? Hij opteert voor een thematisch gezichtspunt, dat in een soort typologie van slaapkamers moet uitmonden. De achtste categorie in die typologie zijn de hotelkamers, onder te verdelen in a) sjofele hotels, gemeubileerde kamers, en b) luxehotels.

En daar springt Olivier Rolin op de kar. ‘En de bedsprei? Ach, de bedsprei, mocht u het willen weten, is overwegend braakselroze (of kunstgebitroze, als men een voorkeur heeft voor dit beeld), met blauwe en witte toetsen. Ik heb dus het plan opgevat het boek te schrijven dat Perec heeft vermeld in Ruimten rondom […]. Voor zover ik weet heeft hij die geplande bundel nooit geschreven. Dus doe ik het in zijn plaats: niet uit opschepperij, maar veeleer uit een soort respect dat (misschien) grenst aan piëteit. […] Voor u ligt dus het achtste onderdeel (‘Hotels’) van de Plaatsen waar ik geslapen heb van Georges Perec.’ Aan de gedetailleerde, filmische beschrijving van een veertigtal hotelkamers paart Rolin in Suite in het Crystal een grote hoeveelheid sterke verhalen rond een bont gezelschap van onderwereldfiguren. Rolin spreekt van ‘topautobiografische notities’, maar het autobiografische gehalte van zijn roman is twijfelachtig. Zijn louche verteller, een soort literair angehauchte Humphrey Bogart met een zwak voor sterke drank en wulpse schonen, houdt zich hoofdzakelijk bezig met smokkel, spionage, sabotage en erotische nevenintriges. Overigens is Perecs subcategorie ‘sjofele hotels, gemeubileerde kamers’ in Suite in het Crystal opvallend afwezig; de kamers die Rolin beschrijft zijn vrijwel alle voorzien van minibars.

Het cruciale verschil tussen Perec en Rolin is dat die laatste geen kamers uit zijn geheugen opdelft; alles wijst er op dat de beschrijvingen ter plekke zijn gemaakt, met het notitieblok in de hand. De lezer zou zelf kunnen gaan verifiëren of kamer 522 van het Ma’in Spa Hotel in Madaba, Jordanië, inderdaad een televisietoestel van het merk Sharp bevat. Maar hoewel de beschrijving van afzonderlijke hotelkamers een strak protocol volgt, is de link met de verhalen die zich er afspelen ver te zoeken. Rolin lijkt er de auteur niet naar zich aan een vooropgezet programma te onderwerpen; de zoektocht naar Melanie Melbourne, de beloofde rode draad van de roman, blijft al met al volkomen secundair. De charme van Suite in het Crystal ligt eerder in de artificiële, onwaarschijnlijke verknoping van twee totaal verschillende tekstvormen, kale beschrijvingskunst en B-film-plots. Soms levert dat huzarenstukjes op: prachtig is hoe de verteller in de liftkooi van het ANA Hotel te Hiroshima bell captain Hisako, la belle captive, tijdens een aardbeving verleidt, of hoe hij samen met enige spitsbroeders in kamer 366 van het Grand Hotel te Düsseldorf massavernietingswapens in de vorm van brouwinstallaties verkoopt aan de zonen van een dictator uit het Midden-Oosten. Maar het Grand Hotel had, ceteris paribus, ook in Hiroshima kunnen staan, en andersom, zonder dat dat iets aan het verhaal had veranderd. Van een littérature à contraintes zoals Perec die voorstond, is bij Rolin geen sprake.

Welbeschouwd zijn de verschillen tussen de kamers van Proust, Perec en Rolin groter dan de overeenkomsten. Met hun slaapkamerverhalen is het als bij het spel waarin een gefluisterd doorgegeven boodschap na verloop van tijd volledig blijkt af te wijken van het origineel. Het beroep dat Perec en Rolin doen op een grote voorganger kunnen we waarschijnlijk het best zien als een retorische knieval, een captatio benevolentiae jegens de lezer, die weinig zegt over wat er in de tekst werkelijk op het spel staat. Maar dat hoeft aan het leesgenot natuurlijk geen afbreuk te doen.

  • Olivier Rolin, Suite in het Crystal, vertaald door Katelijne De Vuyst & Marij Elias, Uitgeverij IJzer, 2008.
  • Georges Perec, Ruimten rondom, vertaald door Rokus Hofstede, Uitgeverij De Arbeiderspers, 2008, 2e herziene druk.
  • Marcel Proust, Tegen Sainte-Beuve. Relaas van een ochtend, vertaald door Marjan Hof, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2009.

[De Leeswolf, 14:9, (december 2008), © Rokus Hofstede]