De zichtbare vertaler 11: Klagen over geld

‘Ik snap niet waarom vertalers altijd zo moeten klagen over geld,’ mailde een bekende Nederlandse schrijfster mij dit voorjaar. De meeste schrijvers hebben het ook niet breed, en die hoor je nooit, was haar redenering.

Daar zit wat in, en toch ook weer niet. Behalve heel veel overeenkomsten is er namelijk één groot beroepsmatig verschil tussen schrijvers en vertalers: literaire vertalers werken doorgaans in opdracht, literaire schrijvers niet. En daarmee is meteen ook de reden tot klagen gegeven, want wie zou er niet klagen als iemand hem zei: ‘Ik heb een mooie opdracht voor je, zes maanden keihard werken, je krijgt er 6000 euro voor.’ Dat is namelijk het bedrag dat een vertaler volgens het ‘redelijke en gangbare’ tarief mag factureren voor het vertalen van 100.000 woorden, het aantal dat in ons land vaak wordt genoemd als het maximaal haalbare in een halfjaar fulltime werken.

Uitgevers zijn geen normale ondernemers. Als ze vertalers werkelijk een ‘redelijk’ tarief zouden betalen (ter vergelijking: een gewone werknemer kost inclusief diverse vergoedingen, dertiende maand en vakantiegeld ongeveer 80.000 euro per jaar), zouden ze binnen een maand failliet zijn. Daarom is er dus het Fonds voor de Letteren, dat het belastbaar jaarinkomen van de gemiddelde literair vertaler aanvult tot een vorstelijke 19.000 euro. Zou het Fonds om een of andere reden worden opgedoekt, dan zouden de gevolgen voor schrijvers en voor vertalers heel verschillend uitpakken. Heel kort door de bocht: schrijvers zouden bijbaantjes moeten gaan zoeken en dus noodgedwongen langzamer (maar niet per se slechter) gaan schrijven, vertalers zouden nog altijd aan contractuele deadlines vastzitten en dus noodgedwongen sneller (en slechter) moeten gaan vertalen om brood op de plank te krijgen.

Het ergste is dat er in ons land al veel van dat soort vertalers zijn. Vertalers van niet-literaire non-fictie bijvoorbeeld, die het vaktechnisch niet bij voorbaat veel makkelijker hebben dan een vertaler van een gemiddelde Amerikaanse roman, maar in tegenstelling tot die laatste geen aanspraak kunnen maken op een werkbeurs, zelfs al vertalen ze moeilijke boeken van grote culturele waarde. Sterker nog, waarschijnlijk houden de gesubsidieerde vertalers het tarief ongewild kunstmatig laag, óók voor hun niet-gesubsidieerde collega’s. Subsidie zet nu eenmaal niet aan tot hard onderhandelen, en collectieve onderhandelingen worden tot nu toe alleen door de literaire vertalers gevoerd. Een officiële uitbreiding van het modelcontract naar non-fictie zou dan ook geen overbodige luxe zijn. Positief is alvast dat het Fonds onlangs te kennen heeft gegeven dat het graag ook hoogwaardige non-fictie wil subsidiëren, als de minister daarvoor extra geld ter beschikking wil stellen.

Het kan overigens nog veel erger, zoals blijkt uit een onderzoek dat de Europese vertalersraad CEATL heeft verricht naar de financiële en juridische omstandigheden van vertalers in alle Europese landen. Neem de Italiaanse vertalers: die worden tegen een schamel lumpsummetje gedwongen van al hun auteursrechten af te zien, op grond van een bepaling in de auteurswet die zegt dat vertalers auteurs zijn, ‘tenzij anders overeengekomen’. En wat te denken van die Spaanse vertaler die noodgedwongen twintig boeken per jaar vertaalt, die hij dicteert aan een secretaresse? Hij moet zijn gezin toch onderhouden.

[VvL.nu 7 (najaar 2008), © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email