De grimas van een schaduwbeeld

‘De neger delft het blauw / De regen komt er niet / Hij breekt door antraciet / De zon die schuurt hem rauw.’ Een raadsel? Een woordspel? Een versje? Niets van dat al: de eerste strofe van een gedicht van Jean Cocteau, vertaald door psycholoog Theo Festen. De strofe is opgebouwd rond een nogal versleten anagram (neger-regen): neger wil regen en graaft dus in de lucht, maar zonder succes. De lucht wordt pikzwart, de metaforische mijnwerker breekt hem open, maar daarachter brandt de zon nog onverbiddelijker: einde verhaal.

Maar wat staat er eigenlijk in het Frans? ‘Le nègre, mineur de l’azur / Que jamais pleuvoir ne mouille / Pâlit courbé dans la houille / Bleue et brute du soleil dur.’ Alles zit erin: de neger, de regen, de blauwe lucht, de steenkool, de meedogenloze zon. Toch zijn de verschillen groter dan de overeenkomsten. In het Frans vormen de vier regels niet vier losse zinnen maar één doorlopend geheel, de toon is veel gedragener, en bovenal lijkt de tekst iets heel anders te betekenen: de neger wordt vergeleken met een mijnwerker omdat hij in de brandende zon even hard moet zwoegen als de ander onder de grond, hij zoekt niet naar regen maar peigert zich af (ongetwijfeld als landarbeider) in de ‘blauwe, ruwe steenkool van de harde zon’.

Poëzie vertalen is geen sinecure. Alles wat het vertalen van proza moeilijk maakt, is in poëzie vaak nog veel nadrukkelijker aanwezig: ritme, klankovereenkomsten, elliptische of ronduit raadselachtige formuleringen, impliciete verwijzingen, cultuurgebonden beeldspraak en ga zo maar door. Het cliché zegt zelfs dat poëzie vertalen onmogelijk is, maar dat is natuurlijk flauwekul: zoiets kun je niet in zijn algemeenheid beweren. De mate van vertaalbaarheid van een tekst (zowel poëzie als proza) hangt af van allerlei factoren, niet in de laatste plaats van de vraag waar de grens ligt tussen een vertaling en een bewerking – een vraag die, opnieuw, niet in algemene termen te beantwoorden valt.

Is de poëzie van Jean Cocteau vertaalbaar? Op grond van de geciteerde strofe zou je haast denken van niet. Maar elke tekst is onvertaalbaar tot het tegendeel is bewezen, en een rijmkampioen als Paul Claes of Gerrit Komrij zou waarschijnlijk al een stuk dichter in de buurt kunnen komen van iets wat onbetwistbaar als ‘vertaling’ door het leven zou kunnen gaan. Wat niet wegneemt dat Cocteaus poëzie inderdaad tot het lastige soort behoort: net als de muziek van zijn vriend Poulenc moet veel van zijn werk het hebben van de lichtvoetigheid, de virtuositeit, de speelsheid, de directe charme, en Theo Festen lijkt onvoldoende techniek of geduld te bezitten om datzelfde effect in het Nederlands te bereiken.

Na een periode van geflirt met diverse avant-gardistische stromingen bekeerde Cocteau, de proteus en sfinx van de 20ste-eeuwse Franse poëzie, zich onder invloed van het vroegtijdig gestorven wonderkind Raymond Radiguet (met wie hij een stormachtige relatie had) tot het neoclassicisme, wat in dit geval zeggen wil: traditionele vers- en dichtvormen met rijm en metrum, plus een woordkeus en een zinsbouw die soms de associatie met Renaissancedichters als Du Bellay en Ronsard oproepen. Vooral in die klassiek opgezette poëzie, zoals het indrukwekkende lange gedicht ‘Plain-chant’, gaat Festen als vertaler geregeld kopje onder. Neem het volgende kwatrijn:

Zo wil de engel het: mijn roem moet zich versterken
Ver van het strijdgewoel, diep in der stilte schoot.
Zijn innerlijke wiek zweept mij op tot werken:
Ik wil leven, zegt hij, al brengt het jou de dood.

In principe is dit een inventieve, mooie weergave van de Franse tekst. Het rijmt netjes, het vers is net als in het Frans een traditionele alexandrijn – behalve in de derde regel, die één lettergreep te weinig telt. Of moeten we ‘zweept’ soms lezen als ‘zeweept’, ter benadrukking van de aansporing? Hoe dan ook staat deze veronachtzaming van de versvorm (gemakkelijk op te lossen door ‘wiek’ te vervangen door ‘vleugel’) niet op zich, want de metrum- en rijmloze verzen zijn in de rest van het gedicht, dat in het Frans volstrekt regelmatig is, ver in de meerderheid. Waarom heeft Festen dan niet voor een consequente overzetting in vrije verzen gekozen? Dat hij de vrouw die in het gedicht wordt aangesproken in een man verandert, maakt zijn zaak er overigens niet sterker op.

Maar gelukkig heeft de duizendpoot Cocteau, gedreven door zijn innerlijke engel, ook nog andersoortige poëzie geschreven. Twee van de mooiste teksten uit de tweetalig gepresenteerde selectie, de lange gedichten ‘Engel Zerewind’ en ‘Kruisdood’, zijn prachtig vertaald: niet gehinderd door metrum en rijm laat Festen alsnog zien dat hij beschikt over een fijn poëtisch zintuig en een flinke dosis inventiviteit op de kleine ruimte. Het lijkt wel of er een andere dichter en een andere vertaler aan het woord zijn:

(…) In de zon
drogen de tafellakens die slepen
door het slijk. Hangen
de lakens waarin de grimas huist van een
schaduwbeeld: een namaak-
wasvrouw met ware handen.

De verleiding is groot om in dat laatste beeld een metafoor te zien van de auteur, verhuld door het laken van de vertaling. Goethe zei het ook al: de vertaler is een koppelaar die een halfversluierde schone als hoogst appetijtelijk aanprijst. Dat klopt – voor slechte vertalingen.

  • Jean Cocteau, Gedichten, vertaald door Theo Festen. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2003.

[de Volkskrant, 26 juli 2003, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email