Welluidende wartaal

Hoeveel schrijvers die begonnen als wereldbestormend avant-gardist eindigen als nationaal literair erflater? Het is het lot van de avant-garde: wat eens revolutionaire nieuwlichterij was, wordt mettertijd, al dan niet postuum, bijgezet bij de klassieken – of domweg vergeten.

Maar revolutionaire nieuwlichters krijgen soms een tweede leven in vertaling, en keren dan vaak, ironisch genoeg, terug naar de marge vanwaar ze ooit vertrokken. Nog ironischer is dat wat in een andere taal en tijd van hun teksten resteert, iets heel anders is dan wat hun eens voor ogen moet hebben gestaan: een bevrijde taal, waarin het woord een daad is, een taal waarin je de polsslag van het heden hoort.

De afgelopen jaren wordt in Nederland opmerkelijk intensief vertaald uit de historische avant-garde. Steevast gebeurt dat op initiatief van moedige vertalers en onafhankelijke uitgevers, die vergeten parels uit de Franse, Engelse en Duitse twintigste-eeuwse avantgardistische literatuur weten op te diepen, tegen de klippen van de marktwetten op.

Zo verschenen recentelijk het geruchtmakende poëziedebuut van André Breton en Philippe Soupault, Les Champs magnétiques uit 1919, in een vertaling van Jan Pieter van der Sterre, bij Sea Urchin, een nieuwe loot aan de stam van kleine uitgeverijen, en In het teken van de schorpioen, een bloemlezing van dadaïstische en surrealistische poëzie, in de reeks poëzievertalingen van Jan H. Mysjkin, bij het Gentse Poëziecentrum.

Breton en Soupault zijn de geschiedenis ingegaan als de uitvinders van het automatisch schrijven, een poëtisch procédé dat de vrije loop laat aan associaties uit het onderbewuste en zo geacht wordt het ‘ware functioneren van het denken’ te betrappen, volgens Bretons beroemde definitie.

Wie deze poëzie onbevangen leest en op haar eigen merites probeert te beoordelen, kan echter moeilijk om de conclusie heen dat automatisch schrijven weinig anders oplevert dan wijdlopige, al dan niet welluidende wartaal. De associatieve willekeur van surrealistische beeldspraak oefent op de lezer van nu geen bevrijdend schokeffect uit, domweg omdat het aanboren van het irrationele door middel van losweg neergeschreven beelden zozeer is opgenomen in het standaardrepertoire van de twintigste-eeuwse poëzie – van het vrije vers hoeven we de poëtische revolutie niet meer te verwachten. De revolutionaire pretenties van de surrealisten hebben retrospectief iets parodistisch of zelfs kluchtigs, wat zeker niet de bedoeling van hun hedendaagse herontdekkers kan zijn geweest.

Maar wanneer de zinnen zich voegen in een samenhang, een ritmisch of betekenisvol verband, zoals in sommige passages van Breton/Soupault, suggestieve weergaven van het bedrukkende naoorlogse gevoelsklimaat, of in de zinderende prozapoëzie van Aragon, Char of Leiris, dan ontstijgen ze hun historische bepaaldheid en blijken ze opeens verrassend krachtig. Dan komt ook de vertaling, die allesbehalve automatisch moet zijn geweest, tot leven. Dan is lezen geen vergeefse nostalgie, maar een zoektocht naar bruikbare onderdelen in de poëtische wrakken van het verleden.

  • André Breton & Philippe Soupault, Magnetische velden, vertaald door Jan Pieter van der Sterre, Sea Urchin Editions, 2002.
  • Jan H. Mysjkin, In het teken van de schorpioen – Dada & surrealisme in de Franse poëzie, Poëziecentrum Gent, 2002.

[de Volkskrant, 24 januari 2003, © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email