Een kruitvat vol tegenstrijdigheden

Wat is een dandy? Wie denkt dat het een man is die overdreven veel aandacht besteedt aan zijn uiterlijk, een fatje dus, zou Het dandyisme en George Brummell van de Franse schrijver Jules Barbey d’Aurevilly (1808-1889) eens moeten lezen. Was Pim Fortuyn een dandy? Nee, zou Barbey zeggen, want een echte dandy is niet zozeer herkenbaar aan zijn maatkostuums, zijn schoothondjes en zijn Daimler, als wel aan zijn onverschilligheid: hij bewaart een ironische afstand tot alles en iedereen, bindt zich aan niets of niemand en streeft geen ander doel na dan de vervolmaking van zijn grote kunstwerk: zichzelf. Een dandy gelooft niet dat de wereld kan worden verbeterd. Sterker nog: het hele vraagstuk laat hem koud.

Barbey laat in zijn biografisch-filosofische essay zien hoe de onbetekenende Brummell kon uitgroeien tot de verpersoonlijking van de dandy, de man die heel Engeland aan zijn voeten kreeg (‘Ik zou liever George Brummell dan Napoleon willen zijn,’ zei de dichter Byron). De toverformule blijkt te bestaan uit een mengeling van brutaliteit, naturel, elegantie en vooral eigenheid: een dandy vormt in zijn eentje zijn eigen soort. Met snobisme heeft dat allemaal niets te maken. Brummell liet kunst en natuur samenvallen, hij was subliem. En hij had een gesteven witte kraag die zo strak om zijn nek zat dat hij zijn hoofd niet kon bewegen, maar daar horen we Barbey niet over.

Was de biograaf zelf ook een dandy? Daarover verschillen de meningen. Zeker is dat hij heel wat uurtjes voor de spiegel heeft doorgebracht, maar onaangedaan kun je hem moeilijk noemen: de man was berucht om zijn onbarmhartige scheldkritieken, waarvan overigens niet de minste schrijvers het doelwit werden: Diderot, Flaubert, Hugo… Steevast beroept hij zich bij zijn banvloek op de katholieke leer – misschien wel omdat dat de handigste knuppel was om de hond mee te slaan, want andere schrijvers die evenmin voorbeeldige katholieken waren (Balzac, Stendhal, Baudelaire) verdedigde hij juist. Barbey was een kruitvat vol tegenstrijdigheden.

Nergens komen die tegenstrijdigheden zo sterk tot uiting als in zijn verhalen en romans. Barbey, de dogmatische katholiek, lijkt een obsessie te hebben voor alles wat Onze Lieve Heer verboden heeft. Het kwaad wordt in zijn boeken niet afgeschilderd als een te vermijden gevaar, maar als iets waartoe de mens haast bij voorbaat gedoemd is, en dat en passant met satanisch genoegen wordt beschreven. Neem de korte roman Het meisje en de kapucijn. Na een lange beschrijving van de omgeving waar het verhaal zich afspeelt, een geïsoleerd bergdorp in een duistere trechter van steile rotswanden, weten we al dat er geen ontkomen aan is. Waaraan? Dat is inderdaad nog even de vraag, maar niet lang: een rondreizende kapucijner monnik bezwangert een onschuldig meisje, en de dodelijke afloop laat zich raden.

Voor de romancier Barbey was het leven door en door tragisch. Het weerhield de mens Barbey er niet van elegant uitgedost naar koffiehuizen en salons te gaan. Als het kwaad niet te vermijden is, kun je maar beter doen waar je zin in hebt.

  • Jules Barbey d’Aurevilly, Het meisje en de kapucijn, vertaling Jan Pieter van der Sterre. Voetnoot, 2002
  • Jules Barbey d’Aurevilly, Het dandyisme en George Brummell, vertaling Mechtild Claessens. Voetnoot, 2002

[de Volkskrant, 7 februari 2003, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email