De taal van het geweld (en omgekeerd)

Het is een vreemde titel voor een ‘roman’, zoals de genreaanduiding op de titelpagina luidt. Histoire de la violence: het klinkt eerder als een handboek of een wetenschappelijke studie, een historisch-filosofische analyse in de trant van Michel Foucaults Histoire de la folie (1972) en Histoire de la sexualité (1976-1984). Maar dat is het niet. De tweede roman van Édouard Louis (1992) vertelt een zeer nauwkeurig afgebakend, individueel verhaal, de geschiedenis van één geval van geweld, waarvan we algauw begrijpen dat het voor de schrijver en hoofdpersoon hét geweld is: het geweld dat hem is overkomen en dat zijn leven heeft veranderd. En ja, het is dus inderdaad een ‘geschiedenis van geweld’, zoals de titel van de Nederlandse vertaling luidt, met een opvallende betekenisverschuiving (van ‘histoire de la violence’ naar ‘histoire de violence’).

Op Kerstnacht 2012 wordt Édouard Louis in Parijs na een avondje met vrienden vlak bij huis aangesproken door een jongeman van een jaar of dertig. Reda, zoals hij blijkt te heten, gaat met hem mee naar binnen, ze bedrijven de liefde tot in de vroege uurtjes. Als het tijd is om afscheid te nemen en ze weer zijn aangekleed na om beurten te hebben gedoucht, ziet Édouard zijn iPad uit Reda’s binnenzak steken. Hij pakt hem rustig terug, maar ook zijn telefoon blijkt kwijt. Dan ontploft Reda en wordt gewelddadig, hij probeert Édouard te wurgen met een sjaal, bedreigt hem met een pistool en verkracht hem bruut op hetzelfde bed waar ze even tevoren intiem zijn geweest. Als hij klaarkomt weet Édouard zich met een elleboogstoot te bevrijden en te ontkomen naar het trapportaal; hij dreigt te schreeuwen, Reda vlucht weg.

Dan begint de eigenlijke ‘geschiedenis van het geweld’: Édouard moet het gebeurde zien te begrijpen door het te verwoorden. Achtereenvolgens doet hij zijn verhaal aan een vriend, een verpleegkundige van de spoedeisende hulp, een arts, nog twee vrienden, diverse politieagenten op drie bureaus van toenemende gewichtigheid, een forensisch arts, nog meer politie en uiteindelijk, maanden later, zijn zus Clara – die het hele verhaal weer aan haar man vertelt terwijl Édouard zelf staat te luisteren achter de deur. Clara’s relaas vormt in feite zelfs de rode draad van het boek, want ook wij staan als lezers achter die deur te luisteren: zeker de helft van alle informatie horen we als het ware uit haar mond, live van commentaar voorzien (veelal cursief en tussen haakjes) door Édouard zelf.

In interviews rond zijn boek stelt Louis dat er geen regel aan verzonnen is: schrijver en hoofdpersoon vallen volledig samen, we bevinden ons in het volstrekte tegendeel van het soort literatuur waarbij ‘elke overeenkomst met bestaande personen op louter toeval berust’. Toch draagt het boek de genreaanduiding ‘roman’, en we begrijpen waarom: de schrijver beoogt een doel dat het individuele navelstaren ruimschoots overstijgt en hanteert daartoe literaire middelen.

De filosoof Plato wilde de dichters weren uit zijn ideale staat omdat hun literaire verleidingsmiddelen ook de onwaarheid kunnen dienen. Zijn verre nazaat Jacques Derrida zou de rollen omdraaien en zeggen dat de onwaarheid de mogelijkheidsvoorwaarde voor de waarheid is. De grote vraag in Louis’ boek is inderdaad deze: wordt de indruk dat we met de rauwe, brute waarheid te maken hebben versterkt door de literaire middelen, of hebben die juist als effect dat we het geheel onbedoeld toch als fictie gaan lezen?

Centraal in de potentiële spanning tussen waarheid en verdichting staat zoals gezegd de monoloog van Clara achter de gesloten deur. Ze vertelt haar man wat ze van haar broer heeft gehoord, vaak met haar eigen invulling of verdraaiing (die Louis dan met kortere of langere terzijdes corrigeert of becommentarieert). In tegenstelling tot de rest van het boek is Clara’s verhaal opgetekend in spreektaal, waarmee de werkelijkheidsillusie nog eens wordt onderstreept: aan het woord is een vrouw van het volk, een vertegenwoordigster van het arme Noord-Franse milieu waaraan Louis zelf ook is ontsproten, maar waaraan hij zich heeft ontworsteld door in Parijs te gaan studeren.

Louis is vanwege zijn rauwe, onopgesmukte stijl en zijn aandacht voor de lelijke kant van de wereld wel getypeerd als een linkse Michel Houellebecq. Dat is tamelijk onzinnig, al was het maar omdat de echte Houellebecq deels ook typisch linkse (antiliberale) standpunten heeft. Het neemt niet weg dat Louis, die geïnspireerd is door Pierre Bourdieu, inderdaad een ‘links’ uitgangspunt heeft: hij wil het dominante discours doorbreken door een stem te geven aan het marginale, onderdrukte. Om diezelfde reden benadrukt hij ook keer op keer dat zijn verkrachter, Reda, een Berber is en geen ‘Arabier’, zoals Noord-Afrikanen in Frankrijk meestal zonder onderscheid worden genoemd. Er straalt geen haat uit zijn verhaal, eerder begrip: ook hijzelf ging er als adolescent ’s nachts gewapend met een hamer op uit om te stelen, hij weet wat het betekent om aan de andere kant van de lijn te staan. Zijn zus, Clara, vertelt in haar monoloog uitgebreid over hun miserabele jeugd.

Te uitgebreid, misschien? Gezien het aantal pagina’s dat de monoloog beslaat moet ze wel urenlang aan het woord zijn, terwijl die arme Édouard daar maar achter de deur staat te verkleumen. In fictie kan dat, hoe grotesker hoe beter, maar bij een boek als dit, dat zich wil voordoen als de waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid, gaat de literaire vorm de buitenliteraire intentie uiteindelijk voor de voeten lopen: dit is geen waarheid, dit is verdichting, denkt de lezer. Zoals ook Clara’s manier van praten in het boek geen echte spreektaal is, maar een door en door literaire taal in de traditie van Henri Barbusse en Céline: we bevinden ons nog altijd midden in het dominante discours, de ‘stem van de ander’ die we horen is niets anders dan buiksprekerij (die in de overigens degelijke vertaling van Jan Pieter van der Sterre en Reintje Ghoos zelfs grotendeels verloren gaat; Clara spreekt daarin als een boek, met als leidmotief het pure kunstwoordje ‘vedder’: een fonetisch-realistische weergave van de normale uitspraak van een woord – ‘verder’ – dat helemaal niets spreektaligs heeft).

Een van de belangrijkste observaties in het boek is dat ‘Reda’ overal is, als ‘Reda de naam is van het moment waarop je moest beleven wat je niet wilde beleven, als Reda de naam van je ontberingen is, van de stilte, van je afwezigheid’. Reda, dat wil zeggen geweld, dominantie, het niet respecteren van en niet luisteren naar de ander. Maar dat is precies ook de bittere smaak die dit boek achterlaat: de ander, zelfs Clara, komt er geen moment in aan het woord, de schrijver trekt vakkundig aan alle touwtjes. Literatuur ís geweld.

(Naschrift: Reda is opgepakt en heeft een gevangenisstraf uitgezeten. Hij ontkent de versie van het verhaal die Louis heeft opgetekend. De schrijver heeft geweigerd hem te ontmoeten.)

[Édouard Louis, Geschiedenis van geweld, vert. Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre, De Bezige Bij 2017. Dit stuk is oorspronkelijk verschenen op De Reactor.]

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *