In de mond van de reus

Het zal niemand ontgaan zijn: dit fin de siècle wordt gedomineerd door reuzen – reuzenvertalingen, welteverstaan. We hadden al de Cervantes van Barber van de Pol, de Ariosto van Ike Cialona en de Casanova van Theo Kars, en daarbij heeft zich met de verschijning van Pantagruel – Het vijfde boek nu ook de Rabelais van J.M. Vermeer-Pardoen gevoegd. Het wachten is nog op het laatste Proust-deel van Thérèse Cornips, en dan hebben we genoeg reuzen bij de hand om de millenniumwisseling met vertrouwen tegemoet te kunnen zien.

De Franse schrijver François Rabelais (1483?-1553) is niet alleen in verschillende opzichten een reus onder de groten van de wereldliteratuur (de nieuwe vertaling beslaat ruim duizend bladzijden), zijn romancyclus gaat ook over reuzen. Voortbordurend op een oude volkstraditie voert hij de reus Gargantua en diens zoon Pantagruel ten tonele, van wie hij de lichtende voorbeelden van een nieuwe, zelfbewuste mensheid maakt. De Renaissance heeft haar intrede gedaan, het is de tijd van de grote kerkhervormingen, de zestiende-eeuwse mens heeft de eerste schreden gezet op de lange weg van wat twee eeuwen later Verlichting zou heten: het durven gebruiken van je eigen verstand. Mondigheid, noemt de filosoof Kant dat.

Mondigheid kan de personages van Rabelais inderdaad niet worden ontzegd: ze lopen ervan over. Maar wat wil je, wanneer je een mond hebt die zo groot is dat hij ‘mooie kaatsbanen, prachtige lanen, mooie weidevelden, een groot aantal wijnstokken en een onnoemelijke hoeveelheid buitenhuizen in Italiaanse stijl’ bevat, zoals van Pantagruel wordt gezegd. Als Rabelais’ werk al een middelpunt heeft waarin alles samenkomt, dan is dat de mond: de mond als uitdrukkingsorgaan van het zelfstandig denkende individu dat zich heeft ontwikkeld tot een ‘afgrond van kennis’, de mond als doorgeefluik voor wat nu nog steeds ‘gargantueske’ hoeveelheden voedsel en drank worden genoemd en uitlaatklep voor groteske oprispingen en boeren, en ten slotte ook als medium van de overdrijving en de leugen. Net als het kameleontische personage Panurge, de onafscheidelijke metgezel van Pantagruel, is de mond ‘overal toe in staat’.

Zo beschouwd is de mond, het lege middelpunt, bij uitstek het symbool van een nieuwe literaire vorm: de moderne roman. Met Cervantes kan Rabelais als de grondlegger van het genre worden beschouwd, dat zich in eerste instantie kenmerkt door een grenzeloze vrijheid. Niet alleen stelt de vorm geen enkele beperking, in de moderne roman wordt bovendien elke eenduidige moraal tijdelijk opgeschort en verruild voor een veelheid van vragende en stellende, lachende en orerende, bulderende en fluisterende stemmen. Verheven, bloedserieuze passages over het humanistische ideaal worden door Rabelais zelf gerelativeerd door het kluchtige kader waarin hij ze plaatst, en de enige les die je als lezer uiteindelijk uit zijn werk kunt trekken, lijkt te zijn dat er in het leven geen kant-en-klare oplossingen bestaan.

Dat blijkt eens temeer uit het nu vertaalde Vijfde boek, dat verdergaat waar Het vierde boek was geeindigd, namelijk met de zeereis van Pantagruel en de zijnen op zoek naar het orakel van de Fles, dat uitkomst moet geven over de vraag of Panurge wel of niet moet trouwen. Na een tocht langs diverse eilanden, waarvan de allegorische bewoners (pausaanbidders, monniken, rechters, geschiedschrijvers, enzovoort) uiteraard belachelijk worden gemaakt, komen de reizigers uiteindelijk in Lampland aan, waar de goddelijke Fles Panurge als oplossing voor zijn probleem aanraadt: ‘Drink.’ Wat door de priesteres wordt uitgelegd als: ‘Wees zelf het orakel dat uw handelen bepaalt.’ En we zijn weer terug bij Af.

Zo vormt Het vijfde boek een waardige afsluiting van de cyclus, ook al is het waarschijnlijk niet meer dan een compilatie van aantekeningen die Rabelais bij zijn dood heeft nagelaten. Hoewel minder uitbundig en rijk dan de eerste vier delen, is het toch onmiskenbaar rabelaisiaans van inslag, en het bevat genoeg sublieme passages om het lezen meer dan waard te zijn. Het valt dan ook te prijzen dat de uitgever van deze prachtig vormgegeven editie zich niet heeft beperkt tot de vier authentieke boeken.

De nu voltooide driedelige uitgave is niet de eerste Nederlandse Rabelais. Reeds in 1682 verscheen bij Jan ten Hoorn in Amsterdam Alle de geestige werken van mr. François Rabelais, Geneesheer, vervattende in ses boeken de dappere daaden en deftige reedenen van d’overgroote reusen Grandgousier, Gargantua en Pantagruel, ‘met groote vlijt uyt het Fransch vertaelt door Claudio Gallitalo’ (een pseudoniem van N.J. Wieringa). Begin jaren dertig van deze eeuw verscheen de bekende vertaling van J.A. Sandfort, en in 1995 – mevrouw Vermeer-Pardoen legde de laatste hand aan haar eerste deel – toverde uitgeverij Bert Bakker een eigen uitgave van Gargantua en Pantagruel uit de hoge hoed.

Doordat die vertaling van Théo Buckinx een paar maanden eerder uitkwam dan de uitgave van Van Gennep, trok hij alle aandacht – ten onrechte naar al snel bleek. Buckinx heeft zijn vertaling niet alleen overduidelijk met vliegende haast gemaakt, het zestiende-eeuwse Frans gaat hem ook niet al te best af. Zo vertaalt hij het beroemde ‘abstracteur de quinte essence’ uit de ondertitel met ‘haarklover’. Dat staat inderdaad letterlijk zo in de Frans-Nederlandse Van Dale, maar Buckinx zou in elk goed Frans-Frans woordenboek hebben kunnen lezen dat die moderne betekenis berust op een foute interpretatie van het oorspronkelijke alchemistische begrip zoals dat voorkomt bij… juist ja, Rabelais.

In Het vijfde boek worden de hoofdpersonen bovendien, in een onmiskenbaar alchemistische context, benoemd tot ‘abstracteurs’ van koningin Kwintessens, waaruit blijkt dat Buckinx niet eens de hele cyclus heeft gelezen. De misplaatste lof van sommige recensenten (‘een nieuwe, directe vertaling’, kopte de Volkskrant) bewijst eens temeer hoe weinig mensen het literair vertalen in deze snelle tijden nog serieus nemen, als ambacht en als kunstvorm. En dat terwijl de rol van een vertaler vergelijkbaar is met die van een uitvoerend musicus: elk woord is uit zijn mond afkomstig, met zijn ‘interpretatie’ staat of valt het hele boek.

Wat dat betreft zijn we bij Vermeer-Pardoen aan een beter adres. Aan alles is te zien dat haar vertaling met liefde en ‘groote vlijt’ is gemaakt, en ze paart een goed begrip van de niet gemakkelijke brontekst aan een grote trefzekerheid in het Nederlands. Er zijn ook wel een paar minpunten: over het geheel gezien is de toonzetting in vergelijking met die van het Franse origineel een slagje zwaarder, de rijmpjes en de woordspelingen overtuigen soms niet helemaal, en voor de eerste vier boeken werd een sterk verouderde Franse uitgave gebruikt, met als gevolg een niet optimaal notenapparaat.

Daar staat echter veel moois tegenover, niet in de laatste plaats de rijke variatie aan stijlregisters. De hoge, serieuze registers zijn edel en indrukwekkend, de lage, burleske zijn licht en vlot. Hoewel bijna alle spreektaalwoorden rechtstreeks uit de beperkte voorraad van Enno Endt’s Bargoens woordenboek afkomstig zijn, vallen ook die vrijwel altijd perfect op hun plaats, uitzonderingen als het moderne bedrijfsbargoense ‘nitwit’ daargelaten. Onbedoeld blijkt de Nederlandse Rabelais behept met een Jiddisch getint vocabulaire: ‘nebbisj’, ‘sjniggel’ – maar wat doet het ertoe, het werkt.

Een van de belangrijkste uitgangspunten van Vermeer-Pardoen is blijkbaar geweest dat woordspelletjes die in vertaling verloren gingen, op een andere plaats weer mochten worden ingehaald. Daar valt veel voor te zeggen, vooral wanneer het met zoveel brille gedaan wordt als hier. Zo laat zij twee kernwoorden in een zin soms ineens rijmen, en als vertaling van het befaamde ‘a boyre’ (‘drank’) dat Gargantua bij zijn geboorte laat horen, geeft ze ‘ween! ween’, waarin tegelijkertijd de roep om wijn en het gekrijs van een baby te horen valt. Het is een kleine knieval voor het realisme dat Rabelais hier juist schuwt, maar wel een knieval van een mateloze elegantie.

En heel af en toe hoef je voor de allermooiste vondst niets anders te doen dan letterlijk vertalen wat er staat. Enzo Ferrari, zegt die naam u iets? Ook in 1564 waren de ‘Ferrarische koetsen’ al een begrip, getuige hoofdstuk 22 van Het vijfde boek.

Rabelais heeft in het Nederlands voor de komende decennia zijn mond gevonden.

  • François Rabelais, Gargantua en Pantagruel, vertaald door J.M. Vermeer-Pardoen. Van Gennep, 1996.
  • François Rabelais, Pantagruel: Het Derde en Vierde Boek, vertaald door J.M. Vermeer-Pardoen. Van Gennep, 1997.
  • François Rabelais, Pantagruel: Het Vijfde Boek, vertaald door J.M. Vermeer-Pardoen. Van Gennep, 1998.

[de Volkskrant, 24 december 1998, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email