Liefde, geluk en levensvreugde

‘De eerste keer dat ik de man met de paardenkop ontmoette, had ik niet één suikerklontje bij me.’ Hoe een enkele zin een heel oeuvre kan samenvatten…

Geen verbazing, alleen een licht gevoel van spijt. Natúúrlijk ontmoet je op een koude winterdag een man met een paardenkop, en natúúrlijk wil je zo iemand een suikerklontje geven. Christian Bobin bekijkt de wereld door de ogen van een kind, ziet dingen die normale mensen niet zien. Om iets te kunnen zien moet je ervan houden, zegt hij ergens, en zijn hele werk is dan ook één grote lofzang op de liefde; niet de hartstochtelijke liefde die zich het andere meedogenloos toe-eigent, maar de liefde die het andere waardeert zoals het is. Vandaar dat suikerklontje. Dat de man met de paardenkop meer van appels blijkt te houden, doet aan de intentie niets af.

Nog zo’n beginzin, ditmaal uit de korte roman Geai, eveneens onlangs verschenen: ‘Geai was tweeduizend driehonderd tweeënveertig dagen dood toen ze begon te glimlachen.’ Opnieuw die tederheid, opnieuw die kinderlijke blik op de wereld. Geai (‘gaai’) was tijdens haar leven onderwijzeres, nu ligt ze in het meer van Saint-Sixte en glimlacht. Aanvankelijk ziet niemand die glimlach, die in zijn onzichtbaarheid steeds krachtiger wordt, maar dan is er het jongetje Albain, dat haar op een koude winterdag onder het ijs ziet liggen. Grote ontdekkingen doe je op koude winterdagen. Het kind Albain ziet wat niemand ziet, het gaat van Geai houden zoals Geai ook van kinderen houdt; een bijzondere vriendschap is geboren, en met die vriendschap een dorpsgek: Albain, de zonderling die in zichzelf praat.

Geai, de bontgekleurde, en Albain, ‘de witte’ – alleen al door hun naam zijn ze voor elkaar voorbestemd. Zij, de gestorvene, vertegenwoordigt alle kleur die het leven kan hebben als je ervoor openstaat, en hij is de openheid zelve: ‘Albain houdt van alles wat hij ziet, zonder onderscheid.’ Een kastanjeboom, een twaalfde-eeuwse stenen wasbak, een vlieg op het raam, Albain ziet ze en houdt ervan, als een moderne versie van Franciscus van Assisi. Het is geen toeval dat Bobin met Le Très-Bas (1992) ook een hagiografie van die vleesgeworden aandacht voor de ‘kleine dingen des levens’ op zijn naam heeft staan.

Christian Bobin is een schrijver met een missie, dat moge duidelijk zijn. Liefde, geluk, eenvoud en kinderlijke levensvreugde zijn de sleutelwoorden van zijn boodschap, die een onmiskenbaar christelijke inslag heeft. Paradoxaal genoeg is Bobin op zijn best in verhalende teksten zoals L’Équilibriste, Geai en de beeldschone roman La Folle allure (1995), wanneer hij impliciet laat wat hij te zeggen heeft: de eenvoudige, dromerige stijl en het sprookjesachtige verhaal doen hun werk, ze noemen niet maar suggereren des te meer. Zodra Bobin expliciet wordt, slaat onvermijdelijk de verveling toe. Het is zoals hij zelf zegt over kerkbezoek: hoe waardevol de boodschap ook is, door de herhaling van steeds dezelfde begrippen wordt het vanzelf een cliché.

Het valt daarom te betreuren dat juist Bobins meest expliciete tekst, La plus que vive (1996), door De Arbeiderspers is uitverkozen voor zijn Nederlandse debuut, onder de weinig poëtische titel Springlevend. In dit boekje getuigt de auteur van zijn grote liefde voor zijn gestorven vriendin Ghislaine, aan wie hij eerder Le Très-Bas had opgedragen met de veelzeggende woorden: ‘Voor Ghislaine Marion, die alle wegen van de inkt met haar lach bevrijdt.’ Inderdaad is Springlevend niets minder dan een publieke openbaarmaking van Bobins geheime inspiratiebron: ‘Ik schreef alleen door jou, ik schreef alleen in jou, ik richtte het witte vel papier naar je gezicht, om zoveel mogelijk licht op te vangen.’

Aan de oprechtheid van Bobins beweegredenen hoeven we niet te twijfelen: die is voorbeeldig, van literair exhibitionisme uit commerciële overwegingen is geen sprake. Ongetwijfeld heeft hij zich door de plotselinge dood van Ghislaine genoodzaakt gevoeld haar de eer te bewijzen die haar toekwam, en in die zin is Springlevend een bewonderenswaardige, dappere onderneming. Er is echter één probleem, de taal. Je kunt persoonlijke gevoelens, de meest verhevene voorop, niet ongestraft expliciet in woorden uitdrukken, want woorden zijn gemeengoed en daarmee juist onpersoonlijk: voor je het weet verval je in clichés, in krachteloze krachttermen.

Af en toe lijkt Bobin dat zelf ook te beseffen, maar dat weerhoudt hem er niet van ons even verderop weer om de oren te slaan met grote woorden als ‘liefde’, ‘zuiverheid’, ‘volmaaktheid’ en ga zo maar door, tot vervelens toe. ‘Ik hou van je, Ghislaine’, zegt hij, en zelfs: ‘Ik hou waanzinnig van je.’ Daar zal niemand aan twijfelen na het lezen van dit boekje, maar de vraag is met wat voor indruk die kennis gepaard gaat. Onverschilligheid, waarschijnlijk, of misschien verbazing over zoveel engelachtigheid. In geen geval komt Ghislaine naar voren als de ‘meer dan levende’ die ze voor Bobin nog altijd is, en eeuwig zal blijven: daarvoor wordt ze te veel als een abstract ideaalbeeld voorgesteld.

Een bijkomende hindernis is helaas het Nederlands van Springlevend. De vertaling is slordig, vertaler Michel van Nieuwstadt leest het toch vrij elementaire Frans geregeld verkeerd en doet ogenschijnlijk weinig moeite om de poëtische eenvoud van de tekst te behouden. Al te dikwijls klinkt in de vertaling de Franse zin door: ‘Dat hart dat jij me gemaakt hebt en dat je doorgaat mij te maken…’ Blijkbaar was de tekst ook voor de vertaler weinig stimulerend.

Als onthulling van Bobins persoonlijke inspiratiebron is Springlevend hooguit een interessante voetnoot bij alles wat hij sinds zijn debuut in 1977 heeft geschreven. Voor een publiek dat zijn werk nog niet kent, is het daarom een nogal merkwaardige start: waarom zou je geïnteresseerd zijn in de inspiratiebron van een onbekende schrijver? Het valt dan ook te hopen dat het niet bij dit ene boekje zal blijven. Bobin verdient beter, al was het maar vanwege die man met de paardenkop.

  • Christian Bobin, Springlevend, vertaald door Michel van Nieuwstadt. De Arbeiderspers, 1998.
  • Christian Bobin, Geai. Gallimard, 1998.
  • Christian Bobin, L’Équilibriste. Le temps qu’il fait, 1998.

[de Volkskrant, 15 januari 1999, © Martin de Haan]