De dood der schoonheid

Baudelaire wist niet dat hij Baudelaire zou worden.
Louis Scutenaire, Mes Inscriptions

In ‘Le Phénomène futur’, een prozagedicht van Mallarmé, wordt het kunstmatig geconserveerde lijk van een naakte vrouw door de Vertoner van Voorbije Dingen op de kermis tentoongesteld aan een gedegenereerde mensheid. Een deel van het kermispubliek blijft onverschillig bij de aanblik van de gebalsemde wondervrouw, een ander deel raakt hevig aangedaan, terwijl de dichters uit die toekomstige tijden ‘(…) in hun doffe ogen een licht voelen aangaan en heensluipen naar hun lamp, een ogenblik dronken van schimmige glorie, in de ban van het Ritme en vergetend dat ze leven in een tijd die na de dood der schoonheid voortbestaat.’

‘Le Phénomène futur’ behoort tot Mallarmés jeugdwerk. Het werd geschreven in 1864, hij was tweeëntwintig. Hoewel het pas in 1875 voor het eerst in een tijdschrift verscheen, moeten er toch al eerder kopieën van hebben gecirculeerd, want in Baudelaires vlak voor zijn dood geschreven, onvoltooid gebleven notities die zijn gebundeld onder de titel Pauvre Belgique! staat een onmiskenbare verwijzing naar het gedicht. ‘Een jonge schrijver heeft niet lang geleden uitdrukking gegeven aan een ingenieuze, maar niet in elk opzicht juiste gedachte. De wereld loopt ten einde. De mensheid is afgeleefd. Een toekomstige Barnum laat aan de ontaarde mensen van zijn tijd een mooie vrouw van vroeger zien, die kunstmatig is bewaard. “Wat?” zeggen ze, “Zijn mensen ooit zo mooi geweest?” Ik beweer dat dat niet klopt. De ontaarde mens zou zichzelf bewonderen en schoonheid lelijk noemen. Zie de betreurenswaardige Belgen.’

De Brusselse bourgeoisie waarmee Baudelaire tijdens zijn vrijwillige Belgische ballingschap omstreeks 1865 werd geconfronteerd zal niet hebben uitgeblonken door culturele verfijning, al kan Baudelaires venijn ook op het conto van zijn door syfilis teweeggebrachte mentale aftakeling worden geschreven. Baudelaire beschouwt de déplorables Belges als een gedegenereerde mensheid; volgens hem zijn Belgen als zodanig lelijk en niet in staat om schoonheid te begrijpen. Vooral de Belgische vrouwen moeten het ontgelden: moddervet, vraatzuchtig, onwelriekend, obsceen, voorzien van een bokkenkop en olifantenpoten, Baudelaires sarcasmen zijn onuitputtelijk. De geheime schoonheid der Belgische dames was aan de Franse dichter niet besteed. Toch zag hij scherp, door zijn wraakzuchtige verblinding heen. Wie ziet hoe onbeteugeld het Belgische platteland is volgebouwd en hoe lukraak in Belgische steden oud en nieuw tegen elkaar aanschurken, kan gaan geloven dat Belgen een speciale esthetiek van de lelijkheid aanhangen. De schoonheid van het wanstaltige, het is een Belgisch fenomeen, waar je in nabuurlanden tevergeefs naar zoekt.

Maar misschien kunnen Baudelaires schimpscheuten over de Belgische betreurenswaardigheid wel worden gerelativeerd voor die schoonheidszoekers bij uitstek, kunstenaars en schrijvers. België is de afgelopen eeuwen een bijzondere artistieke kweekvijver gebleken. Wat schoonheid is mag in elk tijdvak een open vraag zijn, de nostalgie ernaar blijft, conform Mallarmés voorstelling van zaken, voor de makers van kunst en literatuur een krachtige drijfveer. Zie de bewonderenswaardige Belgen.

    [in: Hommage à Baudelaire, bundel verschenen ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van Uitgeverij Voetnoot en het 10-jarig bestaan van Galerie Baudelaire, 2012]
Print Friendly, PDF & Email