De libertijn en de lichtekooi

In de openingsbladzijden van Prousts Un amour de Swann – de roman-in-de-roman die het tweede deel van Du côté de chez Swann vormt – wordt Odette de Crécy, een van de ‘getrouwen’ van de salon van mevrouw Verdurin en de toekomstige maîtresse van Charles Swann, tot driemaal toe gekarakteriseerd als hoer.

Jeremy Irons en Ornella Muti in ‘Eine Liebe von Swann’, Volker Schlöndorff (1984).

Op de jonge vrouw van de dokter na bestond [het vrouwelijke aandeel in het ‘kringetje’] dat jaar vrijwel uitsluitend […] uit een haast tot de demi-monde behorende persoon, mevrouw De Crécy, die door mevrouw Verdurin bij haar voornaam Odette werd genoemd en bestempeld als ‘een schat’ en uit de tante van de pianist, die ooit als conciërge scheen te hebben gewerkt; het was een koud kunstje geweest om die van de society onwetende, naïeve vrouwspersonen wijs te maken dat prinses De Sagan en hertogin De Guermantes arme stakkers moesten betalen om wat aanloop te hebben op hun diners, zodat als iemand had aangeboden hun een uitnodiging bij die twee grandes dames te bezorgen, de gewezen conciërge en de lichtekooi het aanbod laatdunkend zouden hebben afgeslagen.

[…] Dus toen dat jaar de demi-mondaine aan meneer Verdurin vertelde dat ze kennis had gemaakt met een alleraardigste man, meneer Swann, en liet doorschemeren dat hij heel graag door hen zou willen worden ontvangen, bracht meneer Verdurin het verzoek op stel en sprong over aan zijn vrouw.

Onmiddellijk na die openingsbladzijden maken we kennis met Charles Swann en krijgen we een vier pagina’s lange beschrijving van diens stoute staaltjes als vrouwenverslinder voorgeschoteld. Swann aarzelt niet schaamteloos gebruik te maken van zijn relaties in de hoogste kringen om vrouwen uit alle lagen van de bevolking, maar bij voorkeur uit het volk – Swann houdt van het volle, vlezige type –, te versieren.

Aan de ene kant dus een ‘bijna tot de demi-monde behorende persoon’, een ‘lichtekooi’, een ‘demi-mondaine’, oftewel een vrouw ‘van lichte zeden’, een parvenue die haar lichaam veil heeft en een inkomen ontleent aan wisselende seksuele contacten met gefortuneerde mannen; aan de andere een man die elke vrouw met een aantrekkelijk fysiek wil veroveren. Odette de Crécy zet haar fysieke kapitaal in om zich te laten ‘mainteneren’; Charles Swann daarentegen kan bogen op een aanzienlijk economisch, cultureel en sociaal kapitaal om vrouwen het hof te maken.

Het grote culturele en sociaal-economische verschil tussen beide minnaars hoeft niet te verbazen, en evenmin de dubbele moraal waarvan Prousts portrettering getuigt. Traditiegetrouw is promiscue gedrag bij mannen positief, bij vrouwen negatief geconnoteerd; tegenover de libertijn staat de zedeloze, ‘gevallen’ vrouw. Gevoelens komen bij Proust deze eenvoudige structuur verstoren. Swanns erotische mechaniekje wordt ontregeld door zijn verliefdheid en, vooral, door zijn jaloezie. Eigenlijk valt hij helemaal niet op Odette, hij vindt haar zelfs onaantrekkelijk (‘En omdat bovendien Odette qua schoonheid voor hem in de verste verte niet kon tippen aan een ateliermeisje, fris en bolrond als een roos, van wie hij epris was…’ – Odette is, zoals het in de befaamde slotzin heet, ‘zijn type niet eens’). Maar haar verwantschap met de vrouwenfiguur op een fresco, en de associatie van haar persoon met de frase uit een sonate, wekken bij Swann het verlangen op om haar te ‘bezitten’. Femme fatale Odette is geen Manon Lescaut, een andere courtisane uit de Franse letteren, die onder haar lichtzinnigheid een goed hart blijkt te bezitten en uiteindelijk tot ware liefde in staat is; ze blijft een frivole, aculturele, hedonistische vrouw, die erin slaagt via het bed van mannen carrière te maken. Intussen verwordt Swann, aanvankelijk een onbevangen rokkenjager, tot een obsessief-monomane minnaar. En tot een diep ongelukkig mens.

Het cliché wil dat rokkenjagers kil en berekenend zijn. Proust ondermijnt dat cliché, en daarmee ook de dubbele moraal die het promiscue gedrag van vrouwen veroordeelt en dat van mannen toejuicht. Swanns ongeluk is niet alleen dat hij te veel van Odette houdt, maar vooral dat hij een fout maakt die traditioneel vrouwen eigen schijnt te zijn: hij verwart seks en liefde. Zijn liefdesverdriet is de prijs die hij daarvoor betaalt. In zulke anachronistische termen staat het natuurlijk niet in Un amour de Swann, maar niets let mij het zo te lezen.

Print Friendly, PDF & Email