Marcel Schwob, ‘De gelijkenis en het verschil’ (fragment)

“Wat me bij mensen opvalt is een aantal handelingen die instinctief zijn en niet voor verbetering vatbaar, aangezien ze al ruim tienduizend jaar lang worden verricht. Jullie zijn gewend graan te vermalen, het meel met water te kneden, er biergist bij te mengen en er een deeg van te maken dat jullie roosteren tot het goudgekleurd is. Sinds er mensen bestaan eten ze brood en de smaak ervan is daardoor niet bitter geworden. Hardnekkig passen jullie vuur toe op de meeste van jullie voedingsmiddelen. Bijen zijn niet minder volhardend in het bouwen van hun geometrische wassen raten, en zo ook stellen mieren hun doorzichtige eieren op vaste tijdstippen bloot aan de zon. Het fijne onderscheid tussen de krijgswagen van koning Agamemnon en een rijtuig van de Compagnie des Petites-Voitures wil niet echt tot me doordringen. De achtereenvolgende vuren die in Griekenland doorseinden dat Troje in brand stond en de telegraaf van de heer Hughes moeten in dezelfde categorie worden geplaatst. Het snelvuurgeweer en de pijl met vuurstenen punt zijn sterk overeenkomende werktuigen van hetzelfde instinct. De aanblik van een stuk brood met bruine korst die is teruggevonden in een Egyptische sarcofaag of van een nederige Fenicische kom die lijkt op wat door Provençaalse pottenbakkers tegenwoordig nog altijd wordt gedraaid, staat voor mij oneindig ver boven alle praktische of intellectuele uitzonderingen. Een dermate krachtige overlevering, een dermate krachtig instinct vormt misschien de enige kans die de mensheid heeft om in de algehele destructie der dingen iets van een aandenken van zichzelf na te laten; want de aarde heeft zelfs de monumenten van jullie aapmensen niet bewaard.

“In weerwil van de uiterst fijne, artistiek verantwoorde neus voor verschillen waarvan jullie steevast getuigen, heeft een van jullie gezegd dat de mens een maatschappelijk dier is. Er is dus niets bijzonders aan hoe jullie je samenleving onderverdelen in steden, provincies en naties; want moneren, die de allereenvoudigste, uit protoplasma bestaande wezens zijn, hebben precies dezelfde gewoonten. En die moneren betrachten bij de verdeling van hun voedsel een grote rechtvaardigheid. Alles wat een van hen eet, wordt ook onder de andere verdeeld. Wanneer zo’n eencellig organisme zijn kolonie beu is, hoeft het enkel de draden die het met zijn volk verbindt door te snijden. Andere individuen achtervolgen of straffen het nooit. Het zal naar nieuwe wateren drijven, te midden van de vrije moneren die door jullie geleerden, als ik het wel heb, saprofyten worden genoemd. Ik heb een grenzeloos respect voor die achtbare moneren, die met hun primitieve ordening het prototype vormen van het volmaakte leven in maatschappelijk verband.

“Hoewel menselijke aandoeningen door jullie psychologen zijn opgedeeld in dunne stroken van uitermate subtiele nuances, blijft hun werking naar mijn smaak al met al beperkt tot de luttele handelingen die voor het voortbestaan van de soort vereist zijn.

(‘La différence et la ressemblance’, in: Spicilège, 1896, herzien voorwoord bij de verhalenbundel Le Roi au masque d’or, 1892. Vertaling Rokus Hofstede voor www.schwob.nl)

Print Friendly, PDF & Email