De nabijheid van het ongewisse

Ik lees een zin en streep hem aan. Hij luidt: ‘Alle dingen zijn onbestendig en het ongewisse nabij.’ Zo zou je hem althans kunnen vertalen, want ik lees hem in het Frans, in het eerste deel van een drieluik van middeleeuwse taferelen dat de titel Abbés draagt. Auteur: Pierre Michon, de geweldenaar van Roemloze levens, die voor het eerst sinds jaren weer iets heeft geschreven. Samen met zeer uiteenlopend werk van drie fotografen is Abbés uitgegeven in een obscure maar mooi verzorgde publicatie van de Franse regio Pays de la Loire, de gelegenheidsmecenas van de vier kunstenaars. Onvindbaar dus, voor wie niet van het bestaan weet. Maar het is er dan toch maar.

Ik lees verder en kom dezelfde zin in het tweede deel van het drieluik opnieuw tegen: ‘Alle dingen zijn onbestendig en het ongewisse nabij.’ In de volgende zin springt een vrouw gekleed in een zwijnenhuid in het water, zinkt naar de bodem en wordt niet meer gevonden – of wordt wel gevonden, aangespoeld op het strand van het eiland Champagné, waar een boerenkinkel haar ontdekt en zich afvraagt of ze een man, een vrouw of een wild zwijn is. Hij duwt het opgezwollen lijk grinnikend terug in de stroom. Einde tweede deel. Ik merk hierbij op dat het voormalige eiland Champagné-les-Marais de plek is waar Pierre Michon een tijdje verbleef met een schrijverswerkbeurs. Is die boerenkinkel een metafoor voor de auteur zelf?

Derde deel, drie pagina’s voor het einde. Daar heb je hem weer: ‘Alle dingen, zei de prior, zijn onbestendig en het ongewisse nabij.’ Wat wil het geval? Het hoofd van Johannes de Doper, het trotse bezit van de abdij van Angély, blijkt een fake te zijn. Een van de zijdelingse gevolgen van die onthulling is dat abt Théodelin, die een tand uit het hoofd heeft gestolen voor zijn eigen klooster, weer met lege handen zit. Met een vloek werpt hij de tand in zee – of hij doet zelf niets maar wacht mopperend af tot zijn klerk, Pierre de Maillezais, het ding heeft weggegooid. Die laatste ‘ziet de tand niet neerkomen, hij vindt de versregel waarmee hij veel later zijn kroniek zal besluiten: want alle dingen zijn onbestendig en het ongewisse nabij’. Einde derde en laatste deel.

In Abbés is alles ongewis, niet in de laatste plaats de tekst zelf. Je zou kunnen zeggen dat Pierre Michon een drieluik rond het woordje ‘of’ heeft geschreven: een ding is nooit zomaar één ding, het kan elk moment in zijn tegendeel omslaan, het is alsof de duivel (‘dat wil zeggen niets’) ermee speelt. We zien tekenen maar weten niet of ze van engelen of demonen afkomstig zijn – als dat al niet op hetzelfde neerkomt. We bezitten een tand van de Wegbereider en geloven in de eenheid van woord en daad, lichaam en geest, God en wereld – de tand blijkt nep, we gooien hem in het water en met hem onze zekerheden. We leggen land droog ter meerdere eer en glorie van God – of van onszelf? Niets is zomaar één ding, alles is gemengd.

Emma, de vrouw uit het tweede verhaal, ‘wil niet mengen’. Ze is pas getrouwd met Guillaume, graaf van Poitiers, en wacht op hem terwijl hij oorlog voert. Ze wordt begeerd door Gaucelin, de zwijnenbedwinger, maar ‘zijn verlangen ontstemt haar niet, of als het haar ontstemt is het met genoegen, ze zal soms toegeven, ze geeft niet toe.’ Kortom, ze mengt, of ze nu wil of niet. Michon voert personages ten tonele die ten onder gaan aan de grijsheid van een wereld waarvan ze zouden willen dat die zwart-wit was, personages die worstelen met wat wij sinds de dood van God niet meer begrijpen: de eenheid (de mengeling, schrijft Michon) van reliek en Schrift, van lichaam, woord en waarheid.

Zijn wij eenentwintigste-eeuwers zoveel beter? Wij, mensen van nu, bladeren op de parkeerplaats voor de abdij in de vuistdikke catalogus van de Nationale Musea, ‘waarin wíj geloven’. Een groter contrast is nauwelijks denkbaar: aan de ene kant de middeleeuwers met hun voor ons onbegrijpelijke religie, aan de andere kant wij met ons geloof in de totale beschikbaarheid van de wereld. En dat is nu juist het probleem, lijkt Michon met zijn drieluik te willen zeggen. Door het tragische uit ons leven te bannen, hebben wij onszelf gedegradeerd tot personages uit een klucht, voor wie de dingen niet ‘onbestendig en het ongewisse nabij’ zijn, maar naar willekeur oproepbaar, onderdelen van een catalogus.

In Abbés is alles gemengd, niet in de laatste plaats de tekst zelf. Pierre Michon, de eenentwintigste-eeuwer, vermengt zijn woorden met die van obscure middeleeuwse kronieken, hij vertelt over wateren die nog niet van het droge zijn gescheiden, over zwijnen die tekenen van engelen of demonen zijn en over de roep van jagers in het bos. En dan ineens schept hij afstand met een ironisch commentaartje: ‘We zitten in de middeleeuwen, nietwaar, wasems van paarden in de winter, gecodeerde kreten diep in het woud, blauwe vrieskou.’ Of hij geeft een verhaal twee mogelijke eindes. Of hij spreekt expliciet in de ikpersoon, over Gaucelin bijvoorbeeld: ‘Hij komt niet uit de lucht vallen, en ik voeg aan de Kroniek van Pierre toe dat het een zeer jonge man was, een aspirant-ruiter, een schildknaap uit het huis van Blois.’

Pierre Michon is geen populaire geschiedschrijver die ons wil laten zien hoe het leven in de middeleeuwen was. Hij is evenmin een amateurpsycholoog die zijn personages tot in het diepst van hun ziel ontleedt, of een would-be socioloog die bestudeert hoe ze op elkaar reageren. Dat heeft allemaal niets met literatuur te maken, of althans niet met het soort literatuur dat Michon voorstaat: een scheppende taalvorm waarin iets van het universeel menselijke tekort verschijnt – en verdwijnt, want literatuur is verbeelding, al zijn de bronnen nog zo authentiek.

Daarom zijn die monniken zo aandoenlijk. Niet omdat ze middeleeuws zijn (want dat zijn ze niet, of maar zeer ten dele), niet omdat ze moeten ontberen wat wij wel hebben (de hulpmiddelen waarmee we onze tragiek kunnen wegmoffelen), maar omdat ze zijn wat ze zijn: mensen, niet meer en niet minder. En daarom is Pierre Michon een geweldenaar, ook in deze kleinere tekstjes.

  • Pierre Michon, Abbés. Verdier, 2002. De Nederlandse vertaling van Rokus Hofstede is in 2005 bij Van Oorschot verschenen in Vuur van Brigid en andere wintermythen.

[de Volkskrant, 1 maart 2002, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email