De schrijver als eeuwige ander

Een foto uit 1975. Zestien mannen en één vrouw, verzameld in een tuin. We herkennen onder andere Italo Calvino, Georges Perec en, precies in het midden, zittend achter de rode tuintafel, Raymond Queneau. Het is een beroemde foto, genomen in het laatste jaar voor Queneaus dood. Hij draagt een lichtgrijs pak met donkere stropdas. Perec, met woeste haardos en nonchalante witte blouse, staat vlak achter hem.

Ik zie de foto voor het eerst in kleur, maar toch wordt mijn oog meteen weer naar dat raadselachtige middelpunt getrokken. Queneau lijkt hier de Onbewogen Beweger zelve, hij domineert het tafereel maar lijkt er tegelijkertijd buiten te staan. Zelfs voor het markante hoofd van André Blavier, dat in zwart-wit vóór hem op tafel prijkt, heeft hij geen aandacht. Dat laatste is overigens niet zo heel vreemd, want het hoofd is duidelijk achteraf op de foto geplakt, samen met nog een paar andere hoofden (waaronder dat van Jacques Roubaud, links in de struiken). Maar het effect is er niet minder om. Queneau zit roerloos achter de tafel, de wereld wervelt om hem heen.

Altijd als ik aan Queneau denk, zie ik hem voor me zoals op die foto, onbewogen en ongrijpbaar. Er zijn mooiere foto’s, waarvan er veel zijn opgenomen in het Album Queneau dat onlangs is verschenen in de prachtige reeks Pléiade-albums: Queneau met Jean-Paul Sartre, Queneau met André Breton, een hoogbejaarde Queneau voor het huis van Picasso, Queneau als zoeaaf met bezem, Queneau met baard. Vaak lacht hij breeduit, maar om een of andere reden is dat niet de uitdrukking die ik het best bij hem vind passen, ook al is hij zonder enige twijfel een van de grappigste schrijvers die er ooit op deze aardbol hebben rondgelopen. De lach die in zijn werk te horen valt heeft niets te maken met joligheid of hedonistische levensvreugde. Het is de louterende lach van de relativering.

Of van de waanzin. In zijn romans zoekt Queneau voortdurend de grenzen van de rede op, hij confronteert zijn lezer met de meest uiteenlopende vormen van menselijke marginaliteit, die niet worden veroordeeld maar juist met een blik vol sympathie worden gadegeslagen. Gekken, kermisklanten, stotteraars, eenvoudigen van geest, allemaal (en het zijn er nogal wat) worden ze met eenzelfde tederheid behandeld, de schrijver neemt ze volstrekt serieus, hoe komisch ze ook zijn. ‘Door de waanzin te begrijpen kunnen we onze kennis van de mens verdiepen,’ schrijft Queneau in een tekstje dat niet toevallig Comprendre la folie heet. Dat ene zinnetje zegt meer over zijn werk dan het merendeel van de geleerde studies die erover zijn geschreven.

De waanzin begrijpen, dat betekent: achter de spiegel durven kijken. Queneau heeft het geweten. In de eerste helft van de jaren dertig, na zijn breuk met de surrealistische beweging, werkte hij aan een groots project dat uiteindelijk bekend is geworden onder de naam Encyclopédie des fous littéraires, een uitputtende studie van alle Franse ‘literaire gekken’ (auteurs met volstrekt idiosyncratische ideeën, zonder voorgangers en zonder navolgers) uit de negentiende eeuw, voor zover hun werk zich in de Parijse Bibliothèque Nationale bevindt. Toen het boek af was wilde geen enkele uitgeverij het publiceren, en de conclusie lag voor de hand: door zijn obsessieve naspeuringen was de onderzoeker zélf een literaire gek geworden, zoals hij niet nalaat te constateren.

Inmiddels was hij als romanschrijver echter flink op dreef geraakt. Na zijn verbluffende debuut Le Chiendent (vertaald als Hondsgras, 1933) schreef hij binnen negen jaar nog zeven andere romans, waaronder klassiekers als Un Rude Hiver (Een barre winter, 1939) en Pierrot mon ami (Pierrot, 1942), die allemaal zijn opgenomen in het onlangs verschenen tweede deel van de Oeuvres complètes. Daarin valt ook de roman Les Enfants du limon (1938) te lezen, waarmee de mislukte encyclopedist uiteindelijk zijn revanche heeft genomen: het boek bestaat voor meer dan de helft uit citaten van literaire gekken, verzameld door het personage Chambernac, die zijn materiaal nergens gepubliceerd krijgt en het uiteindelijk maar aan een zekere Queneau geeft – die het verwerkt in een roman.

Het lijkt haast een constante in Queneaus intellectuele ontwikkeling: alles wat hij onderneemt, komt uiteindelijk in zijn literaire werk terecht. Zijn studie aan de Sorbonne (achtereenvolgens filosofie, letteren en wiskunde) was een flop, zijn privé-studie op het gebied van psychoanalyse en filosofie heeft nooit tot een publicatie geleid, en ook het merkwaardige Traité sur les vertus démocratiques (postuum gepubliceerd in 1993, daterend uit 1937) en het essay Une Histoire modèle (1966, daterend uit 1942) maakte hij niet af. Het blijft gissen naar de oorzaak van die ‘mislukte’ projecten, maar waarschijnlijk is het een fundamenteel kenmerk van Queneaus karakter: zodra hij zich vast dreigt te leggen in een bepaalde mening of denktrant, krijgt hij het benauwd.

Het mag daarom ironisch heten dat de academische Queneaukritiek sinds zijn dood in 1976, en vooral sinds het verschijnen van zijn oorlogsdagboek tien jaar later, in een felle richtingenstrijd verwikkeld is, met als inzet de vraag of Queneau al dan niet als een verkapte metafysicus dient te worden beschouwd. In twee periodes van zijn leven, van 1935 tot 1940 en van 1968 tot zijn dood, blijkt hij namelijk in een spirituele crisis te hebben verkeerd, en zijn werk draagt daar uiteraard de sporen van, ook in de niet-spirituele periodes. Maar hoeveel gewicht moet je als lezer aan die sporen hechten? De aantekeningen en varianten in de Oeuvres complètes laten zien dat de verwijzingen naar esoterie, hermetica en gnosis niet moeten worden onderschat, maar hetzelfde geldt voor de humor, de woordspelingen, de onweerstaanbare charme…

Queneau is altijd een ander: een ander dan je denkt, een ander dan hij het moment ervoor was. Als er één ding opvalt aan de vloed van publicaties van de afgelopen maand, waarmee men alvast vooruitloopt op de viering van zijn honderdste geboortedag (21 februari 2003), is het wel de ongelofelijke veelheid aan gedaanten die de schrijver aanneemt. Voor zover het de vroege romans betreft heeft die veelheid waarschijnlijk deels te maken met het ontwikkelingsproces van de jonge kunstenaar die naar zijn eigen vorm zoekt (die hij uiteindelijk vond met Pierrot), maar ook los van zijn artistieke experimenten lijkt hij zoveel mogelijk verschillende wegen, ideeën en vormen te willen uitproberen. ‘Ik hoef maar te zeggen dat ik ergens niet van houd of prompt houd ik ervan,’ noteert hij in zijn dagboek.

Zo’n onvervalst proteïsche aard is doorgaans voer voor biografen, maar opmerkelijk genoeg hebben we tot dit pre-herdenkingsjaar moeten wachten op de eerste serieuze Queneaubiografie. De schrijver ervan, Aymé-specialist Michel Lécureur, heeft zich behoorlijk grondig gedocumenteerd en daarbij blijkbaar ook alle medewerking van de beruchte ‘erven Queneau’ gehad, maar veel verder dan het opsommen van de verzamelde feiten komt hij niet: de klassieke valkuil van het genre. Overigens kun je je afvragen wat het over een biograaf zegt wanneer hij de naam van een beroemde schrijver, die bovendien een belangrijke rol speelt in het leven van zijn studieobject, systematisch verkeerd spelt: Georges Perec heet hier Georges Pérec. Het wachten is dus op een biografie die niet de feiten, maar de persoon erachter in beeld probeert te brengen.

Dat zal overigens niet meevallen, want zo’n project vereist dat je bereid en in staat bent Queneaus complexe intellectuele evolutie tegelijkertijd van binnenuit en van buitenaf te volgen, zonder de fout te begaan zijn literaire werk als een eenvoudige weerspiegeling van die evolutie te beschouwen: het is heel goed mogelijk dat de schrijver in de literatuur juist een wijkplaats zag, een vorm van onverantwoordelijkheid en vrijheid, een plek waar hij telkens een ander kon zijn, en liever nog vele anderen tegelijk. Ook dat valt natuurlijk psychologisch te duiden, maar voordat de biograaf in spe zich daaraan waagt, zal hij eerst moeten proberen zich te verplaatsen in zijn object, wat in dit geval vooral inhoudt: zich met de meest uiteenlopende denkrichtingen vertrouwd te maken en uit te vinden waarom Queneau erdoor gefascineerd werd.

Wat de taak van die toekomstige biograaf zowel vergemakkelijkt als bemoeilijkt, is dat hij bij het in beeld brengen van Queneaus persoonlijkheid met een geduchte voorganger te maken krijgt. Niet Lécureur, ook niet schoondochter Anabel Queneau (die het prachtige beeldmateriaal van het Album Queneau heeft aangevuld met een minibiografie van het slaapverwekkend opsommerige soort), maar niemand minder dan de schrijver zelf heeft de eerste krachtige aanzet tot zo’n analyse gegeven: in zijn dagboeken, in de versroman Chêne et chien (1937) en vooral ook in een aantal ongepubliceerde geschriften, waarvan de belangrijkste inmiddels zijn verschenen in tijdschriften en in de appendices van de Oeuvres complètes. Maar Queneaus zelfbeeld is sterk bepaald door psychoanalytische categorieën, waarmee we weer midden in de mythe (Oedipus!) staan.

En dat is nog maar het begin, want diezelfde psychoanalytische categorieën spelen ook in Queneaus literaire werk een opvallende rol. De twee componenten van de psyche waaraan hij zijn persoonlijkheid ophangt, het hogere zelfideaal en de lagere driften (het superego en het id, zegt Freud), gaan als eik en hond de strijd aan in zijn boeken. Pas in het allerlaatste boek, Morale élémentaire (1975), worden de twee met elkaar verzoend: ‘De eik is het eens met de truffelhond.’ Het lijkt te mooi om waar te zijn, vooral als je bedenkt dat de eik (chêne) en de hond (chien) voor twee mogelijke etymologieën van de naam Queneau moeten doorgaan, via de omweg van de Oud-Normandische woorden quesne en quenet. Schrijft de schrijver het werk of het werk de schrijver?

Het ontbreekt de lezer niet aan sleutels om tot het oeuvre van Queneau door te dringen: de schrijver strooit er kwistig mee, en wat niet meteen zichtbaar is, wordt wel onder onze aandacht gebracht door het behoorlijk zware kritische apparaat van de Oeuvres complètes. Maar wie dit deel met zijn eerste acht romans leest, en daar is alle reden toe, zal toch sterk het gevoel hebben dat hij iets mist: achter elke deur in het werk die opengaat doemen weer nieuwe deuren op, waarachter weer nieuwe raadsels schuilgaan. En het houdt nooit op, hoeveel nieuwe sleutels er ook bij komen (zoals onlangs de oorspronkelijke encyclopedie van literaire gekken, die Gallimard met zeventig jaar vertraging alsnog heeft uitgebracht).

Hoe zou Queneau zelf op die sleutelzoekerij hebben gereageerd? Waarschijnlijk zoals hij in veel persoonlijke getuigenissen wordt beschreven: ontwijkend, met een onbestemde glimlach, om ten slotte – als we zouden aandringen – in een gulle schaterlach uit te barsten. Aanwezig en afwezig tegelijk. Net als op die ene foto.

  • Raymond Queneau, Oeuvres complètes, vol. 2 (romans 1). Gallimard (Bibliothèque de la Pléiade), 2002.
  • Album Queneau, iconographie choisie et commentée par Anne Isabelle Queneau. Gallimard (Bibliothèque de la Pléiade), 2002.
  • Raymond Queneau, Aux Confins des ténèbres – Les Fous littéraires. Gallimard, 2002.
  • Michel Lécureur, Raymond Queneau – Biographie. Les Belles Lettres, 2002.
  • Raymond Queneau, Comprendre la folie. Des Cendres, 2002.

[de Volkskrant, 28 juni 2002, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email