‘Je t’aime, t’aime, t’aime’

‘Je hebt geen idee wat een doping je brieven voor mij zijn’, schrijft Marcel Cerdan, wereldkampioen middengewicht, op 29 mei 1949 aan Édith Piaf, wereldberoemd chansonnière. Cerdan traint in de Verenigde Staten voor het titelgevecht tegen uitdager Jack La Motta. Dagelijks ontvangt hij uit Parijs vurige brieven van de grande dame die sinds anderhalf jaar zijn geliefde is. Ook hij doet zijn best om zijn gevoelens te verwoorden. ‘Er is maar één ÉDITH PIAF, en ik arme bullebak van een bokser heb het geluk door haar bemind te worden. Dat is een wonder, ik leef in een droom. […] Je t’aime, t’aime, t’aime, oui je t’aime.’

Cerdan en Piaf verkeren eind jaren ’40 op het toppunt van hun roem. Na zijn overwinning op Tony Zale in september 1948 is Cerdan in Parijs binnengehaald als een nationale held, opkrikker van het geschonden naoorlogse Franse zelfvertrouwen. Piaf heeft zich sinds eind jaren ’30 met haar rauwe vibrato ontpopt als diva van het volk, vertolkster van alledaagse dromen en beproevingen, en viert internationaal triomfen. De geliefden delen behalve de stress van het sterrendom ook hun volkse komaf (Cerdan: ‘Je moet hard werken en de klootzakken die je op je bek willen zien gaan de mond snoeren.’).

De presentatoren van de briefwisseling, nu na meer dan vijftig jaar gepubliceerd, lijken het liefdespaar in deze weldadig kitscherig uitgegeven bundel te willen neerzetten als een twintigste eeuws voorbeeld van hoofse minne. De relatie tussen Piaf en Cerdan is geheim en preuts, althans in de brieven (‘Soms bloos ik van mijn eigen gedachten.’). Andere ingrediënten voor hun mythologisering als hedendaagse Tristan en Isolde: Piaf schrijft voor Cerdan een ‘Hymne à l’amour’ waarin ze vooruitloopt op de dood die hen zal verenigen (‘In de hemel geen problemen meer’). Prompt sterft Cerdan, eind 1949, op weg naar zijn revanchewedstrijd tegen Jack La Motta, in een vliegramp op de Azoren.

Toch zijn het niet de grote gevoelens en de bijbehorende grote woorden die ontroeren, maar eerder de alledaagse details. Aandoenlijk zijn Piafs moederlijke bezorgdheid, haar jaloezie, haar humor (‘La Motta bijt ik in zijn billen, de hufter, laat hij niet aan je komen of hij krijgt met mij te doen.’). Aandoenlijk zijn ook Cerdans ongecompliceerde ambities – rijk worden – en zijn plaatsvervangende opschepperij (‘Ik ben gelukkig wanneer ik vanuit de coulissen de koppen zie van de mensen die aan je voeten liggen en “Oh! Oh! Formidable!” roepen.’).

De gewoonste mensen, door de liefde aangeraakt, worden als bij toverslag bijzonder. In deze brieven blijken bijzondere mensen die verliefd zijn heel gewoon. ‘Lieveling, als je belt, hou dan rekening met het tijdsverschil.’

  • Édith Piaf & Marcel Cerdan, Moi pour Toi, Lettres d’amour, le cherche midi, 2002.

[de Volkskrant, 15 maart 2002, © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email