Reactie op Winibert Segers en Henri Bloemen

Laat ik me eerst even voorstellen: ik ben men, ook wel ‘de andere tekst’ geheten. Winibert Segers en Henri Bloemen zien vanuit hun ideeënhemel op mij neer en constateren meewarig dat ik een man ben. Dat wist ik zelf ook al, alleen wist ik niet dat ik me ervoor moest schamen – weer wat geleerd.

Waar hebben we het over? Over de reactie van Segers en Bloemen op mijn stelling in het vorige nummer van Filter. Achtereenvolgens bestrijden zij dat vertalen een kern heeft, dat het uitgaat van overeenkomst, dat het vergelijkbaar is met het uitvoeren van muziek, dat het te maken heeft met het lijf van de vertaler, en dan vergeet ik er vast nog een paar. Wat stellen zij daartegenover? Vertalen is uitwendigheid, vertalen is een vrouw, vertalen is metonymie, vertalen is een techniek.

Om met die laatste term te beginnen: dat was het enige element in de reactie van Segers en Bloemen waar ik me echt over heb verbaasd. Als er namelijk één ding mannelijk is, is het wel de techniek. Niet omdat vrouwen geen fietsbanden kunnen plakken of harde schijven kunnen formatteren, maar omdat het typisch mannelijk is (volgens mijn opponenten althans) om dingen te willen ‘grijpen, beheersen, binnendringen, toe-eigenen, vervangen’, en omdat techniek bij uitstek de term is om dat soort activiteiten mee aan te duiden. De mens eigent zich de natuur toe met behulp van de techniek (zie Heideggers onderscheid tussen een watermolen en een krachtcentrale), dus het ligt niet erg voor de hand techniek te associëren met ‘het contigue, het ontsnappende, het zich onttrekkende, het andere en het elders zijn’, kortom (opnieuw volgens mijn opponenten) de vrouw. Van een duo dat het vertalen als vrouw wil zien, al dan niet verleidelijk heupwiegend in een sexy minirokje, maar hoe dan ook ongrijpbaar, zou je eerder een term verwachten die traditioneel als tegenhanger van het heerszuchtige, het toe-eigenende, het technische wordt gezien. Kunst, bijvoorbeeld. Maar nee.

Tot zover wat me verbaasde. De rest kwam me maar al te bekend voor: een snufje Nietzsche (‘Vielleicht ist die Wahrheit ein Weib, das Gründe hat, ihre Gründe nicht sehn zu lassen?’), een vleugje Derrida (‘Il n’y a pas de hors-texte’), een wolkje Paul de Man misschien (‘The relationship between the literal and the figural sense of a metaphor is always metonymic’), kortom een modieuze, poststructuralistisch gekleurde opvatting van taal en werkelijkheid, voorzover die twee niet met elkaar samenvallen. Afgezien van de bijna religieuze zuigkracht die ervan uitgaat en het papegaaienproza dat dit vaak oplevert, kan ik redelijk veel sympathie opbrengen voor dat gedachtegoed, al was het maar omdat ik van Derrida en De Man, en laten we Harold Bloom en J. Hillis Miller niet vergeten, heb geleerd hoezeer de allerkleinste details van belang kunnen zijn voor de ‘economie’ van de tekst; bij het vertalen heb ik daar veel profijt van.

Dat neemt niet weg dat de (zeer mannelijke, en bovendien bedrieglijke) metafoor van vertalen als vrouw, als metonymie, als verschuiving enzovoort maar één kant van de zaak dekt: de kant van de wetenschappelijke waarheid. Neem een ontleedmes ter hand, snijd daarmee een significant aantal vertalingen aan flarden en de uitkomst van het onderzoek luidt onvermijdelijk: vertalen is een metonymische handeling, want het origineel en de vertaling hebben geen gemene maat, geen buitentalig referentiepunt waaraan ze kunnen worden geijkt. Is dat interessant om te horen? De eerste keer wel, de tweede keer iets minder, en de honderdste keer heb je er schoon genoeg van (ik althans). Er wordt namelijk niets specifieks beweerd, er worden geen keuzes gemaakt maar alleen keuzes bestudeerd en als cultureel en historisch gedetermineerde mogelijkheden gerubriceerd. Ja, als je het zo bekijkt is vertalen inderdaad een vrouw: een stem waarnaar niet wordt geluisterd, een mening die niet ter zake doet, een veronachtzaamde entiteit.

De wetenschap bestudeert haar object van buitenaf: ze ziet in de tekst geen enkel gen van de maker, ze observeert hoe de kunstenaar als een jonge aap gehoorzaamt aan de wetten van het literaire veld, en ze is zelfs bereid te accepteren dat haar eigen gedrag door al even laag-bij-de-grondse principes wordt bepaald. Waarom maakt iemand een bepaald kunstwerk? Omdat hij daarmee zijn positie kan versterken, zowel ten opzichte van andere kunstenaars als ten opzichte van de samenleving als geheel. Maar dat doet hij uiteraard niet bewust: zelf denkt hij van binnenuit en hanteert hij heel andere, ‘artistieke’ criteria. Zo ook een vertaler. Er zijn geen objectieve maatstaven op grond waarvan één vertaling de beste kan worden genoemd, en toch weegt de vertaler mogelijkheden tegen elkaar af en maakt hij keuzes in de overtuiging dat niet alle mogelijkheden even goed zijn, dat de ene mogelijkheid het origineel meer recht doet dan de andere. Het resultaat mag dan volgens de wetenschapper hoe dan ook metonymisch zijn, de metaforische aanspraak is er niet minder sterk om. In die zin is het metaforische geen kwestie van objectieve waarheid maar van overtuigingskracht, zoals Paul de Man ook beseft wanneer hij de geciteerde zin vervolgt met: ‘… though motivated by a constitutive tendency to pretend the opposite’ (Allegories of Reading, p. 71). Streep je het metaforische (de overeenkomst, de gelijkenis, de afbeelding) weg, dan ben je het vertalen zelf ook kwijt, net als die onhandige vader die zijn kind samen met het badwater door het raam gooide.

Toch nog even dat lichaam van de vertaler, want daar was het me allemaal om begonnen. Allereerst wil ik wijzen op een mooi essay van Anneke Brassinga waarop ik twee weken geleden toevallig ben gestuit, getiteld ‘Het lichaam denkt’ (in de bundel Hartsvanger). Het denkende lichaam in kwestie is uiteraard dat van de vertaler, en nu ik het essay weer opsla valt mijn oog op deze passage: ‘Een vertaler bezweert als het ware zijn lezers: “dit is de waarheid, zoals ik die gezien heb in een tekst die u niet of hoogstens gebrekkig ontcijferen kunt, dit is het ware taallichaam, wonderbaarlijk getranssubstantieerd”. (…) De vertaler schendt de natuurlijke grens tussen de talen maar wordt juist door zijn moedwillige overtreding verkondiger van de uiteindelijke eenheid van de logos’ (p. 164). Dat is precies wat ik hier boven bedoelde toen ik het woord overtuiging gebruikte: de vertaler is een gelovige, zegt Brassinga – dat móét hij zijn, alle wetenschappelijke bewijzen van zijn ongelijk ten spijt. Het lichaam van de vertaler, gevormd door het welbekende komische duo Erfelijkheid en Omstandigheden, is de alchemistische oven waarin de wonderbaarlijke omzetting van de ene tekst in de andere plaatsvindt. Natuurlijk komt er geen enkel gen van de vertaler terecht in zijn vertaling, net zomin als er moleculen van de moordenaar in zijn daad belanden (dat lijkt me eerlijk gezegd een betere vergelijking dan die van de biogeneticus en zijn verbinding). Maar geen ander lichaam dan dit ene had deze specifieke tekst kunnen maken. Verschillende vertalerslichamen leveren verschillende vertalingen op, en juist omdat die verschillen ertoe doen (wat niet het geval is bij een gemetseld muurtje, maar wel bij de uitvoering van een pianosonate) lijkt het me zinvol om van uitvoerende kunst te spreken en niet van ambacht of techniek (die beide herhaalbaarheid en identiteit suggereren). Dat is mijn stelling, in het enkelvoud.

[Filter, 9:1 (2002), © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email