De afgrondelijkheid van het verlangen

In de winter van ’82-’83 deed ik mijn eerste ervaringen op als vertaler uit het Frans. Bij die eerste schoorvoetende pogingen was ik niet alleen, maar in het gezelschap van een Franse vriendin, studente aan de kunstacademie Minerva in Groningen, de Noord-Nederlandse stad waar ik ook zelf in die tijd studeerde. Zij was de autoriteit op het gebied van het Frans, ik op het gebied van het Nederlands. We konden eindeloos delibereren over de kortste zinnetjes, en meestal was ik degene die de knopen doorhakte, maar ik was ook maar al te graag bereid tot concessies als zij die nodig achtte. Wanneer ik aan die vertaalsessies van een kwart eeuw geleden terugdenk, weet ik niet meer of ik het gezelschap van mijn Française zocht omdat ik uit het Frans wilde vertalen of dat ik uit het Frans vertaalde omdat ik het gezelschap van mijn Française zocht. Wel herinner ik me dat sommige van die winterse vertaalavonden, zoals het hoort, eindigden in liefde of dronkenschap, of allebei. Wat we vertaalden zal daar niet vreemd aan zijn geweest: het waren twee korte teksten van Marguerite Duras, ‘Césarée’ en ‘Les mains négatives’, twee teksten gepubliceerd in een in 1979 bij Mercure de France verschenen bundel verhalen, Le navire Night.

Still uit ‘Le navire Night’

In die tijd was ik ‘in’ Duras en las alles wat ik van haar te pakken kon krijgen. Ik denk niet dat ik alleen voor mezelf spreek als ik zeg dat Duras’ werk zich goed leent voor een dergelijke passionele, onvoorwaardelijke bewondering; de heftigheid ervan, de bezwerende toon, de soms onnavolgbare stijl en vooral het onuitputtelijke thema van begeerte en verlangen misten op mijn ontvankelijk gemoed hun uitwerking niet. Na enige jaren ontstond bij mij ook een tegenbeweging en werd ik allergischer voor het pathos en het gebrek aan zelfironie dat ik bij haar meende te ontwaren. Uiteindelijk las ik haar niet meer.

Een jaar geleden waren Martin de Haan, Jan Pieter van der Sterre en ik op zoek naar nieuwe titels voor de reeks korte teksten uit de Franse literatuur, uitgebracht bij Uitgeverij Voetnoot onder de naam Perlouses, waarvan wij de redactie vormen. Mij schoot toen de bundel Le navire Night weer te binnen. De gelijknamige tekst, waarmee de bundel opent, had ik eigenlijk nooit goed gelezen. Het minste wat je ervan kon zeggen: dit was vintage Duras. In de onmogelijke telefoonliefde van de twee hoofdpersonen uit Le navire Night leek Duras de zwakte van wie verlangt te hebben willen uitvergroten, begeerte te hebben willen neerzetten als een vorm van ziekte of krankzinnigheid; de leukemie van de jonge vrouw, F., kon moeilijk anders worden opgevat dan als een metafoor van die zwakte, maar de echte ziekte waaraan zowel zij als haar minnaar laboreren is de afgrondelijkheid, de principiële onvervulbaarheid van het verlangen. Een beklemmend stemmenspel, dat zich bovendien goed liet lezen als een soort literaire voorafschaduwing van de huidige chat-, webcam- en cybersexrage. De lengte was perfect voor ons reeksje, er waren sinds haar dood in 1996 geen nieuwe vertalingen van Duras verschenen, verdienen oude liefdes niet dat hun eer wordt bewezen?

In april van dit jaar verscheen Nachtschip Night in de Perlousesreeks in de vertaling van Rokus Hofstede en met een nawoord van Jan Pieter van der Sterre. En in september werd een van die oude Durasvertalingen, ‘Negatieve handen‘, in duchtig herziene vorm gepubliceerd in het Antwerpse literaire tijdschrift Deus Ex Machina, naast een prachtig uitneembaar portret van Duras van de hand van Kris Gevers, die van Nachtschip Night ook een eigenzinnige recensie schreef.

[Inleiding bij de Duras-avond in cinema Off-Off, op 26 oktober 2007 in Gent, met daarin onder meer de vertoning van de korte films Césarée en Les mains négatives, gemaakt met de rushes van de film Le navire Night]

Print Friendly, PDF & Email