Jean Echenoz, Bodembestemming, fragment

Omdat alles verbrand was – moeder, meubilair en foto’s van moeder – hadden Fabre en zoon Paul direct een hele rompslomp: al die as en die rouw, verhuizen, de meubelboulevards af voor een nieuwe start. Te snel vond Fabre iets minder ruims, twee multifunctionele kamers onder een gemetselde fabrieksschoorsteen waarvan de slagschaduw de tijd aangaf, en niet zo ver van de Quai de Valmy, wat praktisch was.

’s Avonds na het eten vertelde Fabre Paul over zijn moeder, Paul z’n moeder, soms al onder het eten. Omdat ze geen afbeelding van Sylvie Fabre meer hadden sloofde hij zich uit om haar steeds preciezer te beschrijven: hele hologrammen verrezen midden in de keuken, maar bij de minste onnauwkeurigheid liepen ze leeg. Onmogelijk, zuchtte Fabre, en hij legde een hand op zijn hoofd, over zijn ogen, en viel ontmoedigd in slaap. Vaak was Paul degene die de bedbank moest uitklappen en de boel tot slaapkamer ombouwen.

Op zondag en soms op donderdag togen ze over de Quai de Valmy richting Rue Marseille en Rue Dieu, ze gingen naar Sylvie Fabre. Zij keek uit de hoogte op hen neer en reikte hun het flesje parfum Piver, Forvil aan, glimlachend in vijftien meter blauwe jurk. In haar heup gaapte een ventilatierooster. Er bestond geen ander portret van haar.

[Fragment uit Jean Echenoz, Bodembestemming (Fr. L’Occupation des sols, 1998), vert. Martin de Haan en Jan Pieter van der Sterre. Voetnoot, Perlouses 6, 2004.]

Print Friendly, PDF & Email