Benjamin Constant, Adolphe, fragment

Jaren geleden maakte ik een rondreis door Italië. Door een overstroming van de Neto werd ik opgehouden in een herberg in Cerenzia, een klein dorpje in Calabrië. Er bevond zich in die herberg een vreemdeling die er om dezelfde reden bleek te moeten verblijven. Hij was bijzonder zwijgzaam en leek terneergeslagen; hij gaf geen enkel teken van ongeduld. Soms beklaagde ik me bij hem, de enige met wie ik op die plaats kon praten, over de vertraging die onze reis ondervond. ‘Het is mij om het even of ik hier of ergens anders ben,’ antwoordde hij. Onze waard, die had gesproken met een Napolitaanse knecht die voor de vreemdeling werkte zonder zijn naam te kennen, vertelde me dat hij niet uit nieuwsgierigheid reisde, want hij bezocht geen ruïnes, geen mooie plekjes, geen monumenten en geen mensen. Hij las veel, maar nooit lange tijd achtereen; ’s avonds ging hij wandelen, altijd alleen, en vaak bracht hij hele dagen zittend door, onbeweeglijk, met zijn hoofd steunend op zijn handen.

Toen de verbindingen weer waren hersteld en niets ons vertrek meer in de weg stond, werd de vreemdeling erg ziek. Ik achtte het mijn menselijke plicht om bij hem te blijven en hem te verzorgen. Omdat er in Cerenzia alleen een dorpsarts was, wilde ik in Cosenza bekwamere hulp laten halen. ‘Dat hoeft niet,’ zei de vreemdeling, ‘deze man hier is precies wat ik nodig heb.’ Hij had gelijk, misschien wel meer dan hij dacht, want de man genas hem. ‘Ik had niet gedacht dat u zo kundig was,’ zei hij hem welhaast humeurig toen hij hem zijn congé gaf; daarna bedankte hij mij voor mijn zorgen en vertrok.

Een aantal maanden later ontving ik in Napels een brief van de waard uit Cerenzia, samen met een kistje dat was gevonden op de weg naar Strongoli, die de vreemdeling en ik onafhankelijk van elkaar allebei hadden gevolgd. De herbergier was ervan overtuigd dat het aan een van ons beiden toebehoorde. Het kistje bevatte een groot aantal zeer oude brieven zonder adressering of waarvan adressering en ondertekening onleesbaar waren gemaakt, een vrouwenportret en een schrift met daarin de anekdote of geschiedenis die u op het punt staat te lezen. De vreemdeling, aan wie die zaken toebehoorden, had me bij zijn afscheid geen enkele mogelijkheid geboden om hem te schrijven. Ik had zijn eigendommen al tien jaar bewaard, niet wetend wat ik ermee moest beginnen, toen ik er in een stad in Duitsland bij toeval over sprak met een aantal mensen, waarna een van hen me dringend verzocht hem het manuscript toe te vertrouwen dat ik onder mijn hoede had. Na een week werd het manuscript aan me teruggestuurd met een brief, die ik aan het einde van het verhaal heb geplaatst, omdat hij onbegrijpelijk zou zijn voor wie hem zou lezen zonder dat verhaal zelf te kennen.

Die brief heeft mij doen besluiten tot de huidige publicatie, doordat hij mij de zekerheid heeft verschaft dat niemand erdoor kan worden beledigd of in opspraak gebracht. Ik heb geen woord aan het origineel veranderd; zelfs voor het weglaten van de eigennamen ben ik niet verantwoordelijk: die werden slechts aangegeven door middel van initialen, zoals nog steeds het geval is.

[Adolphe – Een anekdote, aangetroffen tussen de papieren van een onbekende en uitgegeven door Benjamin Constant, vertaald door Martin de Haan. Athenaeum-Polak & Van Gennep. 1998.]

 

  • ‘Met welhaast geometrische precisie, in een uitgebeende taal (die door de strakke vertaling van Martin de Haan voortreffelijk tot zijn recht komt) krijgt het noodlot de vereiste onafwendbaarheid.’ – NRC Handelsblad
  • ‘Bovendien is zijn stijl van een klassieke elegantie, sober op het kale af. Die uiterst efficiënte ingehoudenheid komt prachtig tot zijn recht in de secure vertaling van Martin de Haan.’ – Trouw

 

 

Print Friendly, PDF & Email