Pierre Michon, De hengelaars van Castelnau (fragment)

Ik geloof niet zo in schoonheden die zich beetje bij beetje openbaren, als je maar verbeelding genoeg hebt. Voor mij tellen alleen de verschijningen. Deze nu deed dadelijk mijn bloed bruisen van de meest gruwelijke gedachten. Als ik zeg dat het een stuk was, dan heb ik nog weinig gezegd. Ze was groot en blank, het was melk. Het was breed en rijk als in de hemel de hoeri’s, omvangrijk maar ingesnoerd, met een strakke taille; hebben dieren een blik die hun lichaam niet loochent, dan was het een dier; hebben koninginnen een eigen manier hebben om op de zuil van een hals een hoofd te dragen dat vol maar puur, zachtmoedig maar noodlottig is, dan was zij de koningin. Dit koninklijke gelaat was naakt als een buik: daarin de zeer heldere ogen die merkwaardig genoeg eigen zijn aan brunettes met een blanke huid, die geheime blondheid onder het ravenzwarte haar, dat raadsel dat zich nooit laat ontwarren, niet door de rokken die je oplicht, niet door de kreten die ze slaken, mocht je deze vrouwen ooit bezitten. Ze was tussen de dertig en veertig jaar oud. Alles in haar was kennis van het genot, het genot in de gangbare betekenis des woords wellicht, maar ook het genot dat ze aan iedereen wegschonk, aan zichzelf, aan het niets als ze alleen was en zichzelf niet zag, zodra ze maar even iets beroerde met haar mollige vingers, zodra ze haar hoofd een beetje draaide en de gouden zecchino’s in haar oren haar wangen raakten, zodra ze je aankeek of haar blik afwendde, en dat genot was schrijnend als een wond; dat wist ze; dat straalde ze onverschrokken en hartstochtelijk uit. Nou ja, zoiets valt niet onder woorden te brengen; nee, het is niet uit klei gevormd: het is als het furieuze klapwieken van duizenden vleugels in een storm en toch bestaat er geen materie die voller en zwaarder is, die meer gevangen zit in zijn eigen gewicht. Het gewicht van dit ondanks de uitstaande borsten al met al ranke bovenlijf, was aanzienlijk. Pakjes sigaretten, netjes gerangschikt, omgaven haar als een stralenkrans. Haar rok zag ik niet; toch bevond hij zich daar achter de toonbank, onmetelijk, onmogelijk om op te lichten. De bruuske regen buiten striemde de ruiten; ik hoorde hem knetteren op dit gave vlees.

Mijn haar drupte nog na op mijn voorhoofd. Met haar lippen een beetje vaneen, welwillend en nauwelijks verbaasd, sloeg deze vrouw geduldig mijn stilte gade. Ze wachtte af wat ik hebben wou. Ik sprak als in een droom, met een toch nog heldere stem. Ze draaide zich om, haar okselhaar werd zichtbaar toen ze haar arm naar de schappen hief, de kordate, lieflijk beringde hand opende zich onder mijn ogen met in de palm het rood-witte pakje Marlboro. Heel even beroerde ik die hand toen ik het pakje aannam. Misschien om dat gebaar nog eens te zien – het wisselgeld in de holte van de hand, de gelakte nagels die zich aaneensloten en zich dan weer van elkaar losmaakten – kocht ik ook de met pijlen doorboorde heilige op de ansichtkaart. Nu glimlachte ze voluit. ‘Wilt u een enveloppe?’ zei ze. Natuurlijk wilde ik er een. Ook de stem was gul, de woorden klonken als een geschenk. Wéér dook de arm weg, de hand pakte, de zecchino’s streelden de wang. Toen ik de winkel verliet was de lucht haast opgeklaard; het frisse plaveisel glinsterde, het regende niet meer. Tijdens de afdaling naar de herberg van Hélène kwam de zon te voorschijn, de hemel opende zich en blonde bomen schoten de hoogte in: in mijn keel, in mijn oren had ik iets klaaglijks, iets krachtigs als de eindeloze maar afgemeten schreeuw, wisselend van toonhoogte, vol tranen en onoverwinnelijk verlangen, waarmee uit nachtelijke, geketende, merkwaardig vrije kelen met woord honey opklinkt, in een blues.

[Pierre Michon, De hengelaars van Castelnau (Fr.: La Grande Beune), vertaling Rokus Hofstede, Van Oorschot, 1997. Zie ook het essay ‘Wit en rood: over Michons ‘La Grande Beune‘ van Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email