Bruno Latour, ‘De Berlijnse sleutel’, fragment

Latour.Berlijnse sleutel(…) Kortgeleden ontmoette ik in het Institut Pasteur een onderzoeker die me de hand schudde en zich aan me voorstelde met de woorden: ‘Hallo, ik ben de coördinator van biergistchromosoom nummer II.’ Laten we deze paradoxale zin niet meteen van tafel vegen. Laten we niet al direct het zich ‘ik’ noemende enkelvoudige individu, de Europese organisatie die Europese molecuulbiologen samenbrengt en, tot slot, de weldra bekende DNA-formule van het Saccharoymyces cerevisiae-molecuul uit elkaar trekken. Dat kan altijd later nog, als de soep is afgekoeld, als het onderzoek is afgerond. Voorlopig druk ik met warmte de hand van de fraaie hybride individu-organisatie-DNAformule. Directe toegang tot chromosoom II is onmogelijk zonder de ingenieuze organisatie te begrijpen die moest worden opgezet om het werk van alle Europese ‘gist-onderzoekers’ te coördineren. Zonder computerprogramma’s, e-mail, databases en EG-subsidie had dat chromosoom in geen dertig jaar volledig ontward kunnen worden. Maar het is ook onmogelijk dit onderzoeksnetwerk te begrijpen zonder die ene individuele persoon die zich zó met de gist heeft vereenzelvigd dat nauw merkbare wijzigingen in zijn neuronen het mogelijk maken de missende stukjes te ontdekken in de puzzel die door het DNA wordt gevormd. Even onmogelijk is het de eigenheid van die onderzoeker, en die van zijn organisatie, te begrijpen zonder die gist erbij te betrekken, die al duizenden jaren in tonnen en vaten werkzaam is en welker fermentatie zich al sinds onheuglijke tijden met die van de mens vermengt. Net als de sjamanen die door etnografen worden bestudeerd is mijn ‘gist-onderzoekende’ vriend een shape-changer: hij wordt chromosoom nummer II, dat een deel wordt van het Institut Pasteur, dat op zijn beurt een Europees netwerk wordt. Uit dit voorbeeldje blijkt wel dat de exacte en technische wetenschappen hun schoonheid niet ontlenen aan een totale scheiding tussen de wereld van de subjecten en die van de objecten. Integendeel, hun schoonheid vloeit juist voor uit het feit dat ze fungeren als een kruispunt waar dergelijke individuen, instellingen en voorwerpen kunnen samenkomen.

De liefhebber van wetenschap en techniek, dat mag nu duidelijk zijn, denkt niet dat we in een gerationaliseerde, onttoverde wereld leven die volledig is de greep is van machines en feiten. Zijn kijk op wetenschap en techniek is onvoldoende tragisch om ze de overdaad aan geweld toe te schrijven waartegen men in het verzet zou moeten komen om zich te mogen tooien met de fraaie titel van humanist. Nee, hij neemt ze voor wat ze zijn: kwetsbaar, gemêleerd, onwaarschijnlijk, verborgen, onzuiver, beïnvloedbaar, belangwekkend, beschavend. Wie verdedigt de wetenschap beter? Degene die haar voor solide en onaantastbaar houdt, of degene die haar zwakte peilt en tegelijk weet welke prijs er moet worden betaald om haar uit te breiden? Wie bekritiseert haar het best? Degene die haar ontzagwekkend en systematisch acht, of degen die de kwetsbaarheid van haar constructie inziet en zich zodoende een beeld vormt van de manieren waarop men haar naar zijn hand kan zetten? (…)

  • Bruno Latour, De Berlijnse sleutel en andere lessen van een liefhebber van wetenschap en techniek, Reeks Kennis/Openbare mening/Politiek, vert. Rokus Hofstede & Henne van der Kooy, Uitgeverij Van Gennep, 1997

‘Schitterende beschrijvingen van ‘wetenschap in actie (…) Zelden zullen zoveel verschillende aspecten van de wondere wereld der dingen zo aansprekend zijn belicht.’ Hans Achterhuis, Trouw, 13-06-1997

‘Een boek waarvan je het jammer vindt dat het uit is.’ Louis Boon, De Volkskrant, 09-08-1997

Print Friendly, PDF & Email