Alain Badiou en het Kwaad

Wie lang genoeg op hetzelfde aambeeld hamert, wordt vanzelf een rumoermaker. Iets dergelijks lijkt aan de hand te zijn met de Franse filosoof Alain Badiou (Rabat, 1937). Sinds enige tijd is er ontegenzeglijk sprake van een Badiou-hausse, en toch doet wat Badiou te vertellen heeft in zekere zin gedateerd aan. Vanuit de optiek van zijn filosofie is dat laatste trouwens geen diskwalificatie. Badiou neemt het op voor ‘waarheden’, en die hebben onder meer als eigenschap dat ze, hoe situatie-gebonden ook, voor iedereen gelden en eeuwig zijn.

Veranderd is vooral het filosofische en politieke landschap waarin Badious werk zich ontplooit. Sinds de jaren ’70 en ’80 heeft men wijd en zijd het filosofische anti-humanisme van structuralisten en marxisten afgezworen en de terugkeer naar de ethiek omhelsd. Ethiek van de mensenrechten, ethiek van de humanitaire inmenging, bio-ethiek, cultureel relativisme, stuk voor stuk zijn het verschijningsvormen van de hedendaagse liberaal-humanistische consensus.

Wanneer iemand die ethische bekommernis dan analyseert als een inconsistente, ja reactionaire ‘ideologie’, die dient ter versterking van de status quo en ter verdediging van ‘westerse’, kapitalistische privileges, dan hebben we uiteraard de poppen aan het dansen. Te meer waar hij zich in zijn analyse beroept op lastige denkers uit het verleden zoals Foucault, Althusser en Lacan, en het spel bederft met provocerende verwijzingen naar de Terreur (het schrikbewind tijdens de Franse Revolutie), Lenin en Mao.

Alain Badiou is een spelbederver. In de eerdaags te verschijnen Nederlandse vertaling van L’éthique. Essai sur la conscience du mal (oorspronkelijk gepubliceerd in 1993) laat hij niet na roet in het eten van de consensusdenkers te gooien. De ironie van de geschiedenis wil dat Badiou al een kleine veertig jaar in relatieve afzondering werkt, slijpt en schaaft aan zijn filosofisch oeuvre, en dat juist de veranderde context – Gleichzeitigkeit des Ungleichzeitigen – zijn ideeën nu volstrekt tegendraads doet voorkomen.

En bijzonder urgent bovendien. Ethische vraagstukken bepalen meer dan ooit de koers van het politieke en wetenschappelijke debat. Badiou onderzoekt de filosofische premissen van die ethische trend, en betoogt met kracht van argumenten dat een ethiek die uitgaat van de evidentie van het Kwaad en van slachtofferisme (de mens als datgene wat zichzelf universeel als slachtoffer herkent) een weerzinwekkende vorm van ‘westerse’ zelfingenomenheid legitimeert.

Behalve een pamflet tegen de heersende ethische doctrine is L’éthique ook een schets van een alternatieve opvatting van het ethische – een ethiek van ‘trouw’ aan ‘waarheden’ (in politiek, kunst, wetenschap of liefde). Badiou pleit voor een bijzondere vorm van universalisme, die vasthoudt aan de idee van het Goede als horizon van de oordeelsvorming en zich verzet tegen het nihilisme van het absolute Kwaad. Kern van zijn analyse is de notie dat onvoorziene revolutionaire gebeurtenissen, zogeheten ‘evenementen’, mensen in bijzondere situaties kunnen oproepen om boven zichzelf uit te stijgen (‘onsterfelijk te worden’) en zich te voegen in een ‘waarheidsprocedure’. ‘Doorgaan!’ wordt dan het ethische maxime bij uitstek: doorgaan, breken met het eigenbelang, onderzoeken wat daarvan de gevolgen zijn, trouw zijn aan de eigen trouw. Badious waarhedenethiek stelt zich ten doel de voorwaarden voor een dergelijke trouw te schetsen. Trouw aan waarheden is wat voor Badiou het Goede behelst, en het Kwaad is in zijn optiek niets anders dan de mogelijke verwordingen – terreur, verraad, rampzaligheid – van dat streven naar het Goede.

L’éthique is, samen met het in 1989 bij Seuil verschenen Manifeste pour la philosophie, Badious meest gelezen boek, en valt heel wel te beschouwen als een handzaam compendium van zijn gedachtegoed en stijl. L’éthique roept meer vragen op dan het beantwoordt, en is vooral tekenend voor Badious ambities. Hij wil het hedendaagse filosofische en ethische debat ontrukken aan flauwe afkooksels van Kant en bevrijden uit de impasse van het postmoderne anything goes, sterker nog: hij wil zelf de belichaming zijn van een kleine filosofische revolutie. Wat niet in strijd is met het feit dat hij in zekere zin een denker van de oude stempel is, een ouderwetse maître à penser – Badiou heeft alles in zich om de vacante plek op te vullen die is ontstaan nu de filosofen uit de generatie van Gilles Deleuze en Jacques Derrida vrijwel allemaal dood en begraven zijn.

Naast zijn filosofische werk schreef Badiou romans, theaterstukken en politieke essays. In die intellectuele meerkoppigheid toont hij zich een waardig vertegenwoordiger van een lange Franse traditie. Typerend voor zijn intellectuele project is ook de karakteristieke combinatie van onderzoek en engagement. Als academicus heeft hij met grote doortastendheid een geheel eigen, nieuw systeem uitgebouwd, waarin L’être et l’événement (Seuil, 1988) het voorlopige hoofdwerk vormt. Als politiek activist onderzoekt hij de voorwaarden voor wat hij een nieuwe Verlichting noemt, oftewel de filosofische vooronderstellingen van een innovatieve, emancipatorische politiek, buiten de parlementaire consensus om. Regelmatig verlaat hij de ivoren toren om zich met veel retorisch vuur te mengen in het openbare debat, bijvoorbeeld ten aanzien van de oorlog in Irak of het wettelijke verbod op hoofddoekjes.

In een tijd waarin de intelligentsia zich rouwmoedig lijkt te hebben afgekeerd van elke vorm van fundamentele maatschappijkritiek, is de kracht waarmee Alain Badiou zijn waarheden trouw betuigt in elk geval zeldzaam opwindend.

[Muziek & Woord, januari 2005, © Rokus Hofstede]

Print Friendly, PDF & Email