‘Onze eeuwige tijdgenoot’: Roger Martin du Gard

De veertienjarige Jacques Thibault is van huis weggelopen samen met zijn boezemvriend, Daniel de Fontanin. Daniels jongere zusje Jenny ligt met hoge koorts op bed en de bezoekende artsen, onder wie Jacques’ negen jaar oudere broer Antoine Thibault, hebben haar opgegeven: meningitis. Dan verschijnt de huisvriend en gebedsgenezer James Gregory ten tonele, en na een absurd bezweringsritueel gebeurt het onmogelijke: het meisje valt rustig in slaap en is gered.

Het is een verbluffende scène. De schrijver ervan, de latere Nobelprijswinnaar Roger Martin du Gard (1881-1958), geeft er geen enkel commentaar op, je kunt alleen maar gissen of er ironie in het spel is. Was het meisje misschien veel minder ziek dan de artsen dachten? Het zou kunnen, want eerder leek ze vooral erg overstuur door het weglopen van haar broer. Maar het valt ook niet geheel uit te sluiten dat Gregory’s bezweringen effectief zijn geweest, er is namelijk niets dat op het tegendeel wijst en het is duidelijk dat Jenny wel reageert op zijn woorden. ‘Het leven is goed! Alle materie is goed! Het verstand is goed, en de liefde is goed! Alle gezondheid is in Christus en Christus is in ons!’

Er is iets heel aangenaam moderns aan De Thibaults, de achtdelige familiesaga die Martin du Gard publiceerde van 1922 tot 1940. Het zit hem niet in de stijl, die af en toe behoorlijk melodramatisch kan zijn. Ook niet echt in de algehele opzet, die vaak draait om schetsmatige contrasten waaraan de werkelijke wereld zich weinig gelegen laat liggen. Maar in tegenstelling tot 19de-eeuwse voorgangers als Zola, van wie hij duidelijk zijn ‘realistische’ benadering heeft afgekeken, gebruikt de schrijver de roman niet als voertuig voor zijn eigen wereldbeschouwing. De mens volgens Martin du Gard is ongrijpbaar en onvoorspelbaar, de romanschrijver kan alleen maar toezien.

Martin du Gard is zo’n schrijver met wie je je eigenlijk niet zo goed raad weet. Iemand die met één been in een ver verleden lijkt te staan en met het andere onvermoeibaar met de tijd mee hinkelt. Hij was ooit razend populair, zelfs in avant-gardistische kringen, kreeg in 1937 de Nobelprijs, werd als een van de weinigen al bij leven uitgegeven in de prestigieuze Pléiade-reeks, maar verdween na zijn dood in 1958 algauw uit het zicht. Het is moeilijk voor te stellen dat hij De Thibaults begon te schrijven toen bijna alle grote modernistische meesterwerken al op papier stonden. En toch valt er heel veel te zeggen voor de stelling van Albert Camus, die Martin du Gard in het voorwoord bij de Pléiade ‘onze eeuwige tijdgenoot’ noemt.

Zijn grote inspiratiebron was Tolstoj, en dat is ook de schrijver aan wie hij het meest doet denken. Niet zozeer door de forse omvang van De Thibaults, waarmee hij aardig in de buurt komt van Oorlog en vrede, als wel door de aandacht die hij besteedt aan de rol van het irrationele in het menselijk gedrag. Denken we de personages te kennen, dan zijn ze ineens toch weer anders: de opstandige Jacques Thibault die in de afzondering van het verbeteringsgesticht de makheid zelve blijkt, zijn beheerste broer Antoine die een hartstochtelijke relatie met de avonturierster Rachel aangaat. Ook Jenny’s al dan niet wonderbaarlijke genezing zou niet hebben misstaan in Anna Karenina – afgezien van de stijl, want Tolstoj wordt nooit melodramatisch en heeft zijn literaire middelen altijd perfect onder controle.

Dat blijft het vreemde bij Martin du Gard: de koele, onbevooroordeelde blik die hij op zijn personages werpt – ‘als ik paardendieven beschrijf, hoef ik er niet aan toe te voegen dat het slecht is om paarden te stelen,’ citeert hij een andere grote Rus, Tsjechov – gaat niet zelden gepaard met een ietwat sentimentele schrijfstijl, die vaak terug te voeren is op het perspectief: de schrijver duikt gretig in de hoofden en harten van zijn personages en beschrijft hun gedachten en gevoelens dan in termen die zijzelf zouden kunnen gebruiken – alleen zijn zij niet aan het woord. In het voorbijgaan vat hij bij het eerste optreden van een personage ook nog even diens voorgeschiedenis samen. Het heeft allemaal iets amateuristisch, als een jongensroman.

Maar de kracht van Martin du Gard ligt ergens anders. Ook van Tolstoj heeft hij de aandacht voor de geschiedenis als permanente achtergrond van het menselijk handelen meegekregen. Het bijzondere is dat de schrijver nooit in gemakzuchtige verklaringen vervalt, zoals de naturalisten hadden gedaan: de mens wordt weliswaar zwaar beïnvloed door zijn milieu en door de historische ontwikkelingen van zijn tijd, maar toch blijft er altijd iets van een individuele ruimte over. Wat zich in die ruimte ontwikkelt is niet de vrije wil, maar een mysterieuze tegenkracht in de vorm van pure, onherleidbare individualiteit. De eeuwige adolescent Jacques Thibault staat al als revolutionair in de wereld voordat hij het ook werkelijk wordt als aan het eind van de romancyclus de Eerste Wereldoorlog uitbreekt.

Met psychologie of sociologie heeft dat allemaal weinig te maken, al biedt de roman voor beide benaderingen genoeg aanknopingspunten. De grote tegenstelling tussen twee soorten bourgeoisie, vertegenwoordigd door de families Thibault (katholiek, bekrompen) en de Fontanin (protestant, vrijzinniger). De zware schaduw van de autoritaire vader Thibault die over zijn zoons Antoine en Jacques hangt. Maar Martin du Gard maakt met zijn roman nu juist subtiel duidelijk dat psychologische en sociologische verklaringen altijd tekortschieten, omdat ze het algemene altijd boven het bijzondere stellen. Alleen een roman kan het ongrijpbaar individuele vatten en inzichtelijk maken, en dat is precies wat De Thibaults zijn kracht geeft. Het is geen toeval dat de schrijver buiten zijn werk nooit stelling nam en de discretie zelve was.

Ook zijn tijdgenoten schreven uitgesponnen romancycli – of romans-fleuves, zoals Romain Rolland het genre noemde. Jean-Christophe van diezelfde Rolland, Les Pasquier van Georges Duhamel, Les Hommes de bonne volonté van Jules Romains, het zijn allemaal voorbeelden van omvangrijke romans die het individu in de tijd en de geschiedenis plaatsen. Marcel Proust heeft met A la recherche du temps perdu een veel persoonlijker en esthetischer doel, maar zijn middelen zijn deels dezelfde: ook hij voert door middel van het grote aantal bladzijden de spanning tussen begin- en eindsituatie langzaam op. Behalve Proust worden al die romanciers tegenwoordig echter nauwelijks meer gelezen: te veel engagement, te weinig literatuur.

Alleen Martin du Gard lijkt met zijn ‘neutrale’ benadering bezig aan een heuse comeback. Zijn werk wordt in Frankrijk herdrukt in pocketuitgaven, er verschijnen schooledities van, en niet zo lang geleden is er zelfs een succesvolle tv-film van De Thibaults gemaakt. Dat de romancyclus dankzij de inspanningen van vertaalster Anneke Alderlieste nu voor het eerst ook volledig verschijnt in het Nederlands, past heel mooi in dat beeld. Een vergeten en herontdekt meesterwerk is het boek zeker niet, maar dat is nu juist de charme ervan. Roger Martin du Gard is een schrijver die ons eraan herinnert dat de literatuur niet alleen uit grote meesterwerken bestaat, maar ook uit boeken die in al hun bescheidenheid precies doen waar kunst voor bedoeld is: verwondering wekken, ogen openen, inzicht bieden.

Zelf sprak Martin du Gard in de ontvangstrede van zijn Nobelprijs de hoop uit dat jong en oud via zijn romancyclus zouden worden herinnerd aan de lessen van het verleden, opdat de mensheid eindelijk het tijdperk van de broederschap zou kunnen inluiden. Drie jaar later brak de Tweede Wereldoorlog uit.

[de Volkskrant, 22 februari 2014, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email