Jean Baudrillard, ‘Want illusie is niet in strijd met werkelijkheid’ (fragment)

Stilte van de foto. Dat is een van de meest waardevolle eigenschappen van de foto, vergeleken met film en televisie, die je altijd het zwijgen moet opleggen, tevergeefs. Stilte van het beeld, dat geen enkel commentaar nodig heeft (of nodig zou hoeven hebben!). Maar stilte ook van het object, dat door het beeld wordt ontrukt aan de overvolle, oorverdovende context van de reële wereld. Hoezeer ook omringd door lawaai en geweld, krijgt het object door de foto onbeweeglijkheid en stilte terug. Midden in de verwarring van het stadsleven herschept de foto het equivalent van de woestijn, een fenomenaal isolement. Fotograferen is de enige manier om steden in stilte door te wandelen, om de wereld in stilte af te reizen.

Fotografie brengt verslag uit van de wereld in onze afwezigheid. De lens verkent die afwezigheid. Zelfs in emotioneel geladen gezichten of lichamen verkent fotografie nog altijd die afwezigheid. Het best laat zich dus fotograferen wie of wat voor de ander niet of niet meer bestaat – primitieven, paupers, objecten. Alleen het onmenselijke is fotogeniek. Dat is de prijs voor wederzijdse verbluftheid, dus voor onze medeplichtigheid met de wereld, en voor ’s werelds medeplichtigheid met onze blik.

Mensen zijn te sentimenteel. Zelfs dieren, planten zijn te sentimenteel. Alleen objecten hebben geen seksueel of sentimenteel aura. Wie ze wil fotograferen hoeft ze dus niet in koelen bloede aan te randen. Aangezien ze zich niet druk maken om hun onderlinge overeenkomst, vallen ze wonderwel met zichzelf samen. En het hulpmiddel van de techniek versterkt alleen nog maar de magische evidentie van hun onverschilligheid, de onschuld van hun mise-en-scène, het doet nog beter uitkomen wat ze belichamen: de objectieve illusie en de subjectieve desillusie van de wereld.

Het is heel moeilijk om individuen of gezichten te fotograferen. Dat komt doordat het onmogelijk is om fotografisch scherp te stellen op iemand die psychologisch zo ongemeen wazig is. Ieder willekeurig mens is de locus van zo’n uitvoerige mise-en-scène, van een dermate complexe (de-)constructie, dat hij zijns ondanks door het objectief van zijn eigenheid wordt ontdaan. Hij is zozeer met betekenissen bezwaard dat het haast onmogelijk is hem daarvan los te weken om de geheime vorm van zijn afwezigheid te vinden.

Naar verluidt gaat het altijd om het vangen van een moment, het moment waarop ook de meest banale of meest gemaskerde mens zijn geheime identiteit prijsgeeft. Maar interessanter is zijn geheime alteriteit. En eerder dan te zoeken naar de identiteit achter het masker, moet je zoeken naar het masker achter de identiteit – de figuur die in ons rondspookt en ons van onze identiteit afhoudt – de gemaskerde godheid die inderdaad, voor een ogenblik, vroeg of laat, in ieder van ons rondspookt.

[Jean Baudrillard, ‘Want illusie is niet in strijd met werkelijkheid’, in: Attack, Fotografie op het scherp van de snede, Johan Swinnen (red.), vertaling Rokus Hofstede, Houtekiet/De Prom, 1999]

Print Friendly, PDF & Email