Lezen in de breedte

De naam Gérard Genette doet bij veel literair onderlegde Fransen een pijnlijk belletje rinkelen. Als uitvinder van barbaarse termen als homodiëgetisch en pseudo-iteratief bracht hij met zijn wetenschappelijke verteltheorie menig letterenstudent tot wanhoop. Hooguit een enkeling met een afwijkend gevoel voor humor kon wel grinniken om de ongebreidelde naamgevingsdrift die de auteur van Figures III tentoonspreidde, en proefde daarin een verfijnd soort ironie.

Die enkeling had gelijk, want nu is er Bardadrac, een erudiet maar daarom niet minder grappig, speels en ontroerend boek waarin dezelfde Genette, inmiddels 76 jaar oud, de tas van zijn leven leegschudt en laat zien dat hij allesbehalve het prototype van de saaie, lichtelijk autistische en stilistisch onvermogende literatuurwetenschapper is. ‘Bardadrac’ was het woord waarmee zijn vriendin Jacqueline de tas aanduidde die ze overal meesleepte, met zoveel erin dat ze nooit iets kon vinden, en dit boek bevat dan ook wat Montaigne een fricassée noemt, een ratjetoe van anekdotes, bespiegelingen, analyses en herinneringen, die allemaal één ding gemeen hebben: het zijn fragmentjes van een (net als bij Montaigne grotendeels indirect) zelfportret.

Voor wie de ideeëngeschiedenis van pakweg de laatste veertig jaar een beetje kent, is een van de aardigste aspecten van zo’n boek natuurlijk dat Genette, als vooraanstaand Frans intellectueel in een tijd waarin de Franse intellectuelen de wereld veroverden, veel inside stories over andere beroemdheden kan vertellen – zoals over Jacques Derrida, met wie hij tijdens een congres een kamer moet delen, en die wel zijn pyjama maar niet zijn draagbare typemachine is vergeten; of over Jorge Luis Borges, die hem vraagt hoe Umberto Eco eigenlijk is gestorven. Aandoenlijk is het verhaal van de dame die hem opbelt en naar de secretaris van Gérard Genette vraagt, waarna hij haar eerst met vervormde stem (‘ongetwijfeld in de hoedanigheid van ondersecretaris’) verzoekt even te wachten, om even later als zichzelf te melden dat zijn secretaris helaas afwezig is.

Maar niet die anekdotes maken Bardadrac tot een van de interessantste en markantste Franse boeken van het jaar. De grote verrassing is dat Genette een door en door literair boek heeft geschreven, passend in een bij uitstek Franse traditie van middelpuntvliedende, open teksten. Met zijn subtiel-ironische schrijftrant behandelt hij de inhoud van zijn pak van Sjaalman op een manier die nu eens aan Georges Perec, dan weer aan de grote klassieke moralisten doet denken, een manier die (dat is het literaire eraan) ondanks de grote helderheid van de formulering nooit tot hapklare waarheden leidt, maar altijd iets ongrijpbaars en suggestiefs behoudt, zelfs in de cultuurkritische stukken. Bardadrac is een boek dat ruimte biedt: ruimte om te lezen, dat wil zeggen te herlezen.

In een ‘wetenschappelijk’ artikel uit de jaren 60 citeert Genette wat Proust in Contre Sainte-Beuve schrijft over de bibliotheek van baron De Guermantes: ‘De tijd heeft er de vorm van de ruimte aangenomen.’ Misschien is dat wel wat een tekst literair maakt: het lineaire karakter ervan wordt opgeheven, het boek is nooit ‘uit’, maar wordt een gebouw waarin je eindeloos kunt ronddwalen. In Bardadrac is die ruimtelijkheid direct voelbaar, want het boek is opgebouwd volgens de per definitie willekeurige volgorde van het alfabet, beginnend bij ‘Aa’ (een riviertje dat vooral geliefd is bij kruiswoordpuzzelaars) en eindigend bij ‘Zut’ (‘verrek!’), waarover Genette opmerkt: ‘Dat zou mijn laatste woord kunnen zijn.’ (Elders schrijft hij ironisch: ‘Ik zal niet vergeten te sterven, ik heb een knoop in mijn zakdoek gelegd.’)

Tussen Aa en Zut kunnen we eindeloos rondlezen. En zolang we lezen, maakt de tijd pas op de plaats: aandachtig lezen gebeurt altijd in de breedte, vaak in de diepte, nooit in de lengte.

  • Gérard Genette, Bardadrac, Le Seuil 2006

[de Volkskrant, 25 augustus 2006, © Martin de Haan]

Print Friendly, PDF & Email