Op de rand van de wereld: Michel Houellebecq

December 2002. De Volkskrant heeft me gevraagd Michel Houellebecq te interviewen, maar waar is hij? Niet in Ierland, waar hij sinds een paar jaar op een afgelegen eiland woont. Ook niet in Parijs: zijn uitgever heeft al een tijdlang niets van hem vernomen. Het heeft er alle schijn van dat hij net als Michel Djerzinski, de hoofdpersoon van Elementaire deeltjes, van de aardbodem is verdwenen; maar dan hangt hij ineens aan de telefoon, bedachtzaam als altijd. Spanje, een uitgestorven vakantiedorp aan de Costa de Almería. Op de rand van Europa, net als in Ierland.

Ik boek een vlucht, huur een auto en rijd door de Andalusische woestijn naar de aangeduide plaats. ‘Er is een begaanbare weg en hij moet worden begaan,’ citeer ik in gedachten. Het uitgestorven vakantiedorp blijkt een uitgestorven nudistenkamp – ik had het kunnen weten. De Nederlandse beheerder brengt me naar de schrijver. ‘Je bent laat,’ is het eerste wat hij zegt. In zijn morsige huurappartement met uitzicht op zee drinken we zwijgend een glas goedkope rode wijn. Rioja, uit een literfles. Clément, zijn Welsh Corgi, rent af en aan met zijn pluchen bal. Ik ben een dankbaar slachtoffer.

’s Avonds gaan we eten in het dichtstbijzijnde dorp. Clément rent vooruit. ‘Ik moet vroeger ook hebben gerend,’ zegt Michel peinzend. ‘Weet je, zo’n hond verdient eigenlijk de eeuwige jeugd. Zelfs als hij oud is heeft hij nog zin om te rennen, hij kan het alleen niet meer.’ En na een lange stilte: ‘Met een hond kun je oud worden. Hij verandert nooit, je kan je aan hem optrekken.’ In het restaurant ondergaat Clément de opzichtige verleidingspogingen van de serveerster gelaten. ‘Hij houdt alleen van volwassen mannen,’ legt zijn zelfverklaarde papa uit.

We praten over zijn bezigheden. De laatste keer dat ik hem sprak, in juni, had hij plannen voor een ‘volstrekt onbegrijpelijke roman’ waarin de taalfilosofie en formele logica van denkers als Wittgenstein centraal zou moeten staan. Hij heeft het idee voorlopig op een laag pitje gezet: ‘Om zoiets te kunnen schrijven moet je zelf eerst alles begrijpen, en daar beginnen de problemen al…’ Maar hij heeft genoeg andere dingen om handen. Voor een Duitse uitgever werkt hij aan een selectie uit het werk van Schopenhauer, ‘vrijelijk becommentarieerd door Michel Houellebecq’ (gezien het huidige tempo te verwachten in 2012), en daarnaast legt hij de laatste hand aan een scenario voor de verfilming van Platform.

‘Ja, de nieuwsbeelden van de aanslag in Bali zouden heel geschikt zijn,’ zegt hij de volgende dag tijdens het ontbijt. ‘Een kale, onopgesmukte weergave, dat is het beste.’ De geïnterviewde zit in pyjama en met verwarde haren achter zijn eet- annex werktafel, we drinken zwarte koffie en kauwen wat droge toastjes weg; Clément legt alweer een opmerkelijke levenslust aan de dag. ‘Of Platform profetisch is? Ach ja, je kan bij toeval altijd op een juiste voorspelling stuiten. Maar de echte reden van het toekomstperspectief dat ik hanteer, is dat je de dingen daardoor kunt bezien met de blik van iemand die niet volledig is ondergedompeld in het hier en nu. Ik wil de mensheid op een afstand plaatsen.’

Zowel in Platform als in Elementaire deeltjes glijdt het verhaal vanuit het heden naadloos de toekomst in. Het heeft Houellebecq tot zijn eigen verbazing een uitnodiging opgeleverd om in Santa Barbara te komen spreken over de toekomst van de mensheid, samen met allerlei hotemetoten. Hij heeft geweigerd: ‘Ik heb absoluut niets te melden over de toekomst van de mensheid. Hoewel ik het natuurlijk best leuk zou hebben gevonden om een babbeltje met Bill Gates te maken.’ Een roman waarin de verdwijning van de VS en Europa als een vanzelfsprekend historisch gegeven wordt gepresenteerd, dat lijkt hem wel wat. Niet als voorspelling, maar om de wereld van nu te relativeren.

Ach ja, de wereld van nu… Hij heeft al een week geen krant gelezen, de Spaanse televisie verstaat hij niet. Toch heeft hij Platform en de novelle Lanzarote de overkoepelende titel ‘Midden in de wereld’ meegegeven, naar eigen zeggen omdat hij van plan is een immens fresco van de moderne wereld te schilderen, als een hedendaagse pendant van Balzacs Comédie humaine. Maar, zo maakt hij direct duidelijk, in feite is zijn stof niet echt de wereld. ‘Over de wereld an sich valt niet zoveel te zeggen. Ik bedoel, de wereld waarin wij leven bestaat toch voor het grootste deel uit teksten en meningen over die wereld. Je kunt natuurlijk een auto kopen zonder eerst te lezen wat erover is geschreven, maar eigenlijk zijn de brochures veel interessanter dan de auto zelf. Je hebt een bepaald vocabulaire, bepaalde clichés, bepaalde tradities… een cultuur.’

Het voorbeeld van de autobrochure komt nog een paar keer terug. Niet toevallig, zo blijkt ’s avonds, want Michel is sinds kort de trotse bezitter van een Mercedes C220 CDI. Hij heeft een hekel aan vliegen (‘En jij rookt nog niet eens!’) en reist dus het liefst met de auto; zijn vrouw Marie-Pierre rijdt. Nu ze er niet is moet hij zelf achter het stuur, wat hem niet al te best afgaat. Op mijn vraag of de auto an sich eigenlijk wel bestaat, los van de cultuur eromheen, antwoordt hij dan ook: ‘Ik zou het niet weten, ik ben tijdens het rijden veel te bang om daarover na te denken.’ Nadat we in het donker (‘Waar zitten de lichten?’) een paar honderd meter in zijn culturele concept hebben gereden op zoek naar een restaurant, stelt hij voor de Mercedes te verruilen voor mijn huur-Toyota. Goed idee.

We hebben het over merken. Waarom kiezen mensen voor een Mercedes of een Toyota? Is het omdat ze bij een bepaalde groep willen horen? ‘Nee, nee,’ antwoordt Michel verrassend fel, en hij geeft een fraai staaltje houellebecqiaanse logica ten beste: ‘Ik denk dat de groep juist door die keuze ontstaat. Door verschillende merken te creëren, creëer je verschillende mensen.’ ‘De illusie van verschil, bedoel je?’ ‘Ja, maar veel illusies worden uiteindelijk werkelijkheid.’

Het is een thema dat regelmatig terugkeert in zijn werk: het individu is een illusie, in werkelijkheid verschillen mensen nauwelijks van elkaar. Ze hebben min of meer (‘laten we zeggen voor tachtig procent’) dezelfde voorkeuren, dezelfde waarden, dezelfde opvattingen en, vooral, dezelfde dromen. Eén daarvan heet toerisme. ‘Echt, ik denk dat de georganiseerde groepsreis een van de nuttigste uitvindingen van onze tijd is.’ Met instemming citeert hij het motto van Rachid Amirou dat hij boven een hoofdstuk van Platform heeft gezet, waarin toerisme wordt beschreven als een ludieke mogelijkheid ‘om op een geleidelijke, gecodeerde en niet-traumatiserende manier kennis te maken met de buitenwereld en het andere.’

Houellebecq: ‘Toerisme heeft een opvoedende, beschavende functie, beide partijen passen zich aan en leren met elkaar omgaan. Trouwens, op een georganiseerde reis verkennen de deelnemers niet de wereld zelf, maar wat erover wordt gezegd in hun reisgidsen; en eigenlijk is dat zo slecht nog niet. Het kan ook niet anders, al zweren sommige gidsen bij authenticiteit en direct contact: ze doen net alsof ze zelf niet bestaan.’ Persoonlijk is hij een groot liefhebber van waarderingssystemen met sterretjes of cijfers. Neem nu Granada, waar ik de volgende dag naartoe wil: het Alhambra moet zeker goed zijn voor drie sterren in de Michelingids. En onderweg kom ik langs Little Hollywood, een stuk woestijn waar veel spaghettiwesterns zijn opgenomen: waarschijnlijk maar één ster, maar toch mooi meegenomen.

En dan is er natuurlijk het sekstoerisme. In Platform lanceert de hoofdpersoon, Michel geheten, een revolutionair idee: in het Westen hebben we te veel geld en een nijpend gebrek aan liefde en tederheid, in de Derde Wereld hebben de mensen geen geld maar zijn ze nog niet bedorven, dus wat ligt er meer voor de hand dan een ruil in de vorm van geïnstitutionaliseerd sekstoerisme volgens ons eigen, vertrouwde marktmechanisme? Het is natuurlijk fictie, maar uit de reacties bleek dat Houellebecq weer eens een gevoelige snaar had geraakt. Opmerkelijk was daarbij wel dat sommigen de roman lazen als een (lovenswaardige) veroordeling van het sekstoerisme en anderen als een (schandelijke) verdediging. Waar is de waarheid?

Hij grijnst. ‘Het zit er natuurlijk allebei in. Het boek is ambigu.’ ‘Omdat de hoofdpersoon onsympathiek is en dus moeilijk als uitdrager van jouw ideeën kan worden gezien?’ ‘Dat ook, misschien. Een sympathieke, door en door goede verteller, dat werkt niet. Maar het boek is een verdediging in de zin dat sekstoerisme aangenaam is, terwijl ik aan de andere kant niet nalaat te vermelden welke prijs ervoor moet worden betaald. Het loopt allemaal verkeerd af.’ ‘Dus in zekere zin wordt de hoofdpersoon gestraft?’ ‘Nee, dat zou volstrekt idioot zijn. In mijn boeken wordt niemand gestraft. Mensen gaan niet dood om hun zonden uit te boeten, ze gaan gewoon dood omdat ze doodgaan.’ ‘Voor jou heeft het boek geen moraal?’ ‘Nee.’

Het is inmiddels een bekend patroon: sommige critici denken dat Houellebecq romans met een boodschap schrijft, met de personages als woordvoerders van de auteur, terwijl hij dat zelf in alle toonaarden ontkent. Hij doet er wat lacherig over: ‘Ja, dat zijn de lompsten. Maar je hebt er ook die het me sowieso al kwalijk nemen dat mijn personages opvattingen hebben. Terwijl iedereen opvattingen heeft. Mensen hebben nu eenmaal opvattingen, en mijn personages zijn geen uitzondering.’

Ik vraag door. Dit is de kern van zijn werk, de knoop waarin alles samenkomt. Dus de stellingen die hij in zijn boeken lanceert mogen niet uit de context worden gelicht? ‘Nee! Waar het mij om gaat is het mechanisme van het beweren zelf. Ik houd van overdrijvingen en boude stellingen, ook bij andere auteurs. Het effect van onweerlegbaarheid, daar geniet ik van. In zekere zin interesseren bescheiden auteurs me niet; zelf ben ik ook niet bescheiden.’ Dus de inhoud van zo’n stelling kan volstrekt willekeurig zijn? ‘Ja, absoluut.’ Hij verwijst naar zijn eerste roman, De wereld als markt en strijd, waarin de lezer wordt aangesproken alsof hij in dezelfde situatie verkeert als de verteller. ‘Dat is volstrekt willekeurig en ongefundeerd. Maar het gaat om het effect.’ En wat vindt hij zelf dan eigenlijk? ‘O, dat wisselt. Ik heb een tegenstrijdige kijk op het leven.’

We laten de hond uit op het verlaten strand. De lucht is stralend blauw en in de verte glanst een maagdelijk wit dorpje tegen de berghelling, een uitloper van de Sierra Nevada. Maar mijn hang naar authenticiteit bedriegt me: als ik er de volgende dag langs rijd, blijkt het een gloednieuw appartementencomplex te zijn. Er wordt hier veel gebouwd, maar alles staat leeg. ‘Soms denk ik dat ik op een kerkhof woon,’ zegt Michel. ‘Maar je kunt je nooit vroeg genoeg voorbereiden op de dood. Kom, we gaan terug.’ We hebben amper vijfhonderd meter gelopen. Clément vindt het allemaal best.

Het gesprek gaat verder. Na bijna elke vraag of opmerking van mij valt er een stilte van vijf à tien seconden, hooguit onderbroken door een langgerekt ‘eh’. Af en toe vraagt Clément om aandacht door met zijn snuit de pluchen bal naar een van ons beiden toe te rollen. ‘Hij wil ook wat zeggen,’ constateert Michel. ‘Daardoor duurt het gesprek langer, maar dat geeft mij de gelegenheid om na te denken.’ En nadenken, dat doet hij vol overgave. Niet zelden blijkt hij in gedachten bij twee vragen eerder te zijn blijven hangen.

Dan springt hij ineens overeind. ‘Wacht, dit moet je zien!’ Uit een grote stapel papier vist hij een brief, die afkomstig blijkt van zijn Japanse vertaler. Bij een van de problemen waar mijn collega niet uit is gekomen, staat een dikke streep in de kantlijn. Het gaat om een intertekstuele verwijzing in Platform: ‘Zoals Maarten Luther al zei, d’r gaat niks boven scheten laten in je slaapzak!’ Of meneer Houellebecq alstublieft zou kunnen vertellen in welk boek van Maarten Luther deze uitspraak te vinden is? Hij schatert: ‘Wat zal ik antwoorden? Overpeinzingen omtrent de goddelijkheid van Christus?’

Het gesprek komt op het protestantisme. In zekere zin heeft Michel een protestants wereldbeeld, constateert hij niet zonder ironie. De mens heeft geen vrije wil, alles is gedetermineerd, maar dat is geen excuus: het kwaad wordt er niet minder slecht door. Ja, het kwaad bestaat; het is volkomen onzinnig te denken dat de mens van nature goed is: ‘In dat opzicht ben ik een echte manicheïst.’ Hij verwijst naar Schopenhauer en begint een lange uiteenzetting over het feit dat de afwezigheid van empirische vrijheid een andere, transcendente vrijheid niet uitsluit. Ik geloof dat ik het begrijp: er is vrijheid, maar we kunnen er niet bij.

Op de avond voor mijn vertrek gaan we eten in een restaurant dat De Blije Dwerg heet. Voor de ingang staan twee lachende tuinkabouters, binnen worden we verwelkomd door een vrolijk mannetje met een lange baard, waarschijnlijk de baas. Zijn we in een roman van Michel Houellebecq beland? We bestellen een fondue especial voor twee personen en praten over zijn vrouw, Marie-Pierre. Laat hij zijn werk tijdens het schrijven aan haar lezen? ‘Nee, ze leest mijn boeken pas als ze zijn verschenen. Tijdens het schrijven laat ik niemand iets lezen. Het mooiste zou zijn als mijn vrouw geen enkele belangstelling had voor wat ik schrijf, als het allemaal strikt gescheiden bleef.’

Het is een kwestie van schaamte, bekent hij. Bij elk nieuw boek stelt hij zich voor dat hij zal doodgaan voordat het uitkomt: anders lukt het niet. En als het boek dan af is, is het ook echt af: geen correcties door de uitgever, of in ieder geval zo min mogelijk, en geen verbeteringen als het boek herdrukt wordt. ‘Ja, technisch gezien zou dat natuurlijk wel kunnen,’ klinkt het aarzelend, maar de boodschap is duidelijk. Een gepubliceerd boek, volmaakt of niet, moet zichzelf maar zien te redden. Als het succes heeft, des te beter, maar de navelstreng is doorgeknipt.

We zwijgen. ‘Weet je,’ zegt hij na een tijdje, ‘de wereld van het succes is een heel andere wereld dan die van het werk. Misschien zou ik er eens een roman over moeten schrijven. Onder een pseudoniem, gewoon om te kijken hoe zo’n boek dan wordt ontvangen. Als ik er al een uitgever voor zou kunnen vinden.’ Ik werp tegen dat hij toch veel te herkenbaar schrijft en dat de waarheid snel aan het licht zou komen – en anders zou de vermetele debutant direct worden neergesabeld als een Houellebecq-kloon. ‘Denk je?’ peinst hij. ‘Ik weet niet of ik wel zo herkenbaar ben. Ik heb geen vaste stijl, ik wil alles kunnen schrijven. Eigenlijk weet ik niet eens zeker of ik wel een persoonlijkheid heb.’

En dan is het tijd om afscheid te nemen. Nog één keer zitten we aan het ontbijt, zwarte koffie met droge toastjes, en Michel vraagt: ‘Wanneer moet je verhaal in de krant komen? Met de kerst? Dan zou ik eigenlijk nog een blijde boodschap voor het Nederlandse publiek moeten verzinnen.’ In pyjama doet hij me uitgeleide. Zalvend: ‘Het Nederlandse publiek is een goed publiek.’

[Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 28 december 2002. Herdrukt als nawoord bij Michel Houellebecq, Leven, lijden, schrijven | methode, vertaling Martin de Haan (Voetnoot, Perlouses 3, 2003). Het volledig uitgeschreven interview is opgenomen in Michel Houellebecq, De koude revolutie – Confrontaties en bespiegelingen, vertaling Martin de Haan (De Arbeiderspers, 2004).]

Print Friendly, PDF & Email